Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-3129 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoogte maandelijks aflossingsbedrag. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de berekening van de aflossingscapaciteit in 2010 geen rekening hoefde te houden met de nog na te heffen inkomstenbelasting en de bijdrage voor de Zorgverzekeringswet over het Hongaars pensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3129 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2012, 10/2930 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, een pensioen van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw en een Hongaars pensioen. Appellant heeft bij het college een schuld op grond van de Wet werk en bijstand waarop hij maandelijks aflost.

1.1.

Naar aanleiding van de resultaten van een heronderzoek van de aflossingscapaciteit van appellant heeft het college bij besluit van 29 maart 2010 het maandelijks aflossingsbedrag nader vastgesteld op € 96,90. Appellant heeft tegen het besluit van 29 maart 2010 bezwaar gemaakt en, voor zover van belang, aangevoerd dat bij de berekening van het maandelijkse aflossingsbedrag rekening dient te worden gehouden met de nog na te heffen inkomstenbelasting en de bijdrage voor de Zorgverzekeringswet in verband met zijn bruto uitbetaald Hongaars pensioen.

1.2.

Bij besluit van 22 juli 2010 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen rekening kan worden gehouden met nog af te dragen belastinggelden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij, evenals in beroep, herhaald wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Verder heeft hij aangevoerd dat de hoogte van de naheffing over 2010 exact te berekenen is, zodat daarmee al rekening kan worden gehouden voor het moment waarop de aanslag is opgelegd. Tevens heeft hij de aanslag inkomstenbelasting 2010 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 ingezonden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de berekening van de aflossingscapaciteit in 2010 geen rekening hoefde te houden met de nog na te heffen inkomstenbelasting en de bijdrage voor de Zorgverzekeringswet over het Hongaars pensioen. Het college kan daarmee ook geen rekening houden omdat niet bekend is of er wel een naheffingsaanslag wordt opgelegd en zo ja, hoe hoog deze zal zijn. Illustratief in dit verband is de omstandigheid dat volgens de aanslag inkomstenbelasting 2010 appellant geen belasting hoeft te betalen. Dat dit het gevolg is van door appellant opgevoerde aftrekposten doet daar niet aan af. Volgens de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 van 15 november 2012 dient appellant nog € 161,- te betalen. Appellant heeft gesteld tegen deze aanslag bezwaar te hebben gemaakt. Hieruit blijkt dat de hoogte van de uiteindelijke aanslag (nog steeds) onduidelijk is, zodat het voor het college ook niet mogelijk was voorafgaand aan de aanslag met de bijdrage rekening te houden. Overigens heeft het college toegezegd dat na de definitieve vaststelling van de verschuldigde bijdrage het aflossingsbedrag zo nodig zal worden aangepast.

4.2.

Gelet op 4.1 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD