Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
11-4375 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzingen meerdere bijstandsaanvragen. Met de rechtbank en het college is de Raad dan ook van oordeel dat appellant nog niet het begin van bewijs heeft geleverd dat en waaraan de door appellant verduisterde en opgenomen bedragen zijn besteed. Beroep op bewijsnood faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4375 WWB, 12/845 WWB, 12/846 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

23 juni 2011, 11/1762 (aangevallen uitspraak 1) en 28 december 2011, 11/3373 en 11/5036 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, tegen de beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 12 november 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant is op 24 september 2010 ontslagen door zijn voormalige werkgever, de minister van Financiën, wegens het verduisteren van bedragen van in totaal € 164.822,28 en is in verband hiermee op 22 april 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Appellant heeft op 11 oktober 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd (aanvraag 1). De Dienst Werk en Inkomen, afdeling Handhaving, heeft een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellant. In het kader daarvan zijn bankafschriften van de bankrekening van appellant opgevraagd en is op 8 november 2010 een gesprek gevoerd met appellant. Uit de bankafschriften is naar voren gekomen dat in juli 2010 door derden en vanaf de bonusrekening diverse malen grote bedragen, variërend van € 1.000,- tot € 24.821,48, zijn bijgeschreven op de bankrekening en dat appellant in die maand diverse malen grote bedragen, variërend van € 1.000,- tot

€ 12.000,-, in het totaal ongeveer € 100.000,-, contant heeft opgenomen. Appellant heeft hierover tijdens het gesprek op 8 november 2010 geen mededelingen willen doen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2010.

1.2.

Bij besluit van 12 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 februari 2011 (bestreden besluit 1), heeft het college aanvraag 1 afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant, zowel in de aanvraagfase als in de bezwaarfase, niet met bewijzen heeft onderbouwd, wat er met de door hem in juli 2010 opgenomen gelden is gebeurd en dus niet heeft aangetoond dat hij niet over deze gelden beschikt. Doordat appellant niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting kan zijn vermogenspositie en daarom zijn recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.3.

Appellant heeft op 9 december 2010 (aanvraag 2) en 10 mei 2011 (aanvraag 3) opnieuw bijstand aangevraagd.

1.4.

Bij besluit van 25 februari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college aanvraag 2 afgewezen onder verwijzing naar het in 1.2 genoemde besluit van 12 november 2010. Aan bestreden besluit 2 heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd, dat appellant weliswaar een verklaring heeft afgelegd over wat er met de opgenomen gelden is gebeurd, maar dat deze verklaring niet verifieerbaar is en dat daarom onvoldoende duidelijk is of hij nog over in aanmerking te nemen vermogen beschikt.

1.5.

Bij besluit van 14 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2011 (bestreden besluit 3), heeft het college aanvraag 3 afgewezen op de grond dat appellant geen verifieerbare gegevens heeft verschaft over de verkrijging en besteding van het door hem verkregen vermogen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, samengevat het volgende aangevoerd. Zijn verklaringen over de verduisterde geldbedragen zijn consistent en voldoende is gebleken dat hij bijstandbehoeftig is. Hij verkeert in bewijsnood en kan redelijkerwijs niet beschikken over gegevens inzake de opgenomen gelden. Van schending van de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting is geen sprake.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen perioden in geding voor de aanvragen 1 tot en met 3 lopen van

11 oktober 2010 tot en met 12 november 2010, van 9 december 2010 tot en met 25 februari 2011 en van 10 mei 2011 tot en met 14 juli 2011.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2010:BP7041) rust de bewijslast ter zake van bijstandbehoevendheid bij aanvragen van bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. In dat kader dient de aanvrager duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Desgevraagd zal de aanvrager een en ander moeten staven met schriftelijke bescheiden, zo nodig (ook) over een periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB levert een rechtsgrond op voor weigering van de bijstand indien door schending van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Vaststaat dat appellant in juli 2010 aanzienlijke bedragen contant heeft opgenomen van zijn bankrekening. Appellant heeft zowel in de strafzaak over het verduisteren van gelden als in de procedures over de drie aanvragen verklaard dat en waaraan hij die bedragen heeft besteed. Anders dan appellant heeft gesteld, zijn deze verklaringen niet consistent wat betreft de bestemming van bedoelde bedragen en ook niet wat betreft de wijze waarop de bedragen zijn overgedragen aan derden. Bovendien worden de verklaringen van appellant op geen enkele wijze ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Met de rechtbank en het college is de Raad dan ook van oordeel dat appellant nog niet het begin van bewijs heeft geleverd dat en waaraan de door appellant verduisterde en opgenomen bedragen zijn besteed. De beroepsgrond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden slaagt daarom niet.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep op bewijsnood faalt. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd en maakt die tot de zijne. Deze overwegingen komen er, kort gezegd, op neer dat appellant diverse mogelijkheden had om aan bewijs te komen, maar deze mogelijkheden onbenut heeft gelaten. Daaraan wordt toegevoegd dat de tijdsverlopen tussen de geldopnames in juli 2010 en de in 4.1 genoemde beoordelingsperioden niet zodanig zijn dat het college de onduidelijkheid of en, zo ja, op welke wijze de bedragen zijn besteed, appellant niet mag tegenwerpen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1 en 2 voor bevestiging in aanmerking komen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD