Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-2376 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2376 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 maart 2012, 11/8164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.R.D. Kommer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 oktober 2013 waar partijen, met bericht vooraf, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 6 januari 2010 en op 11 augustus 2010 heeft appellante bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Beide aanvragen zijn door het college afgewezen. Vervolgens heeft appellante zich op 15 april 2011 opnieuw bij het UWV Werkbedrijf gemeld en een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 20 mei 2011 heeft het college appellante met ingang van 14 april 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 12 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd, samengevat, dat op grond van artikel 44, eerste lid, van de WWB geen bijstand met terugwerkende kracht kan worden verleend en dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is er sprake van bijzondere omstandigheden om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen vanaf 6 januari 2010.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of het college in de door appellante aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden aan haar met ingang van 6 januari 2010 bijstand toe te kennen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de bijstand met ingang van een datum gelegen vóór 14 april 2011 had moeten worden toegekend. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank, waarin zowel aandacht is geschonken aan de eerdere aanvragen om bijstand als aan het destijds aan appellante opgelegde pand- en toegangsverbod en aan haar opname in het ziekenhuis op 5 april 2011.

4.4.

Appellante heeft nog aangevoerd dat sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid als de betrokkene heeft kunnen aantonen dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag over onvoldoende inkomsten kon beschikken om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

Appellante heeft aan het college gemeld dat zij in broodnood geraakte en dat zij geld moest lenen om de huur te kunnen betalen. Daarin had het college aanleiding moeten zien, zo begrijpt de Raad het standpunt van appellante, onderzoek te doen naar haar bijstandbehoevendheid in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Op de aanvrager van bijstand rust immers de last aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat in afwijking van de hoofdregel bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. Daarin is appellante niet geslaagd, zo volgt uit 4.3. De stelling dat sprake was van bijstandbehoevendheid is daarvoor onvoldoende. In de door appellante genoemde uitspraken van de Raad is voor het standpunt van appellante geen steun te vinden.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD