Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
12-1992 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1992 WWB, 12/3834 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2012, 11/3102 (aangevallen uitspraak 1) en 31 mei 2012, 12/732 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weldam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 23 augustus 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een melding over de woonsituatie van appellant heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 mei 2011. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 17 mei 2011 de bijstand met ingang van 23 augustus 2010 in te trekken, de over de periode van

23 augustus 2010 tot en met 31 januari 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.191,17 van appellant terug te vorderen en de bijstand met ingang van 17 mei 2011 te beëindigen. De besluitvorming berust, voor zover nog van belang, op de grond dat appellant heeft verzwegen dat hij de enige procuratiehouder is van drie ondernemersrekeningen van supermarkt [naam supermarkt] en dat, nu appellant tijdens het onderzoek zijn financiële situatie niet inzichtelijk heeft gemaakt, het recht op bijstand vanaf 23 augustus 2010 niet meer is vast te stellen. Bij besluit van 24 augustus 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Op 5 juli 2011 heeft appellant zich bij het UWV Werkbedrijf gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen met als beoogde ingangsdatum 28 januari 2011. Bij besluit van 2 september 2011 heeft het college aan appellant met ingang van 5 juli 2011 bijstand toegekend. Bij besluit van 18 januari 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar, dat gericht was tegen de ingangsdatum, ongegrond verklaard op de grond dat de aanvraag over de periode van 28 januari 2011 tot en met 17 mei 2011 een herhaalde aanvraag betreft omdat over deze periode reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de aanvrager om nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te voeren. Het college meent dat appellant daar niet in is geslaagd. Over de periode van 18 mei 2011 tot en met 4 juli 2011 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat door appellant geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan van de hoofdregel, dat bijstand wordt toegekend met ingang van de datum van aanvraag, moet worden afgeweken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet heeft geschonden omdat het college sinds zijn eerste aanmelding bij het UWV-werkbedrijf eind 2009, begin 2010 op de hoogte was van zijn betrokkenheid bij supermarkt [naam supermarkt]. Voor zover appellant geen inlichtingen heeft verschaft over de specifieke bankrekeningen stelt appellant dat hij anderszins heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting door de gemeente op de hoogte te stellen van zijn financiële verstrengeling met supermarkt [naam supermarkt]. Appellant heeft er op gewezen dat hij bij de aanvraag om bijstand in augustus 2010 heeft verklaard dat hij enkele jaren een onderneming heeft gevoerd - supermarkt [naam supermarkt] - en dat deze onderneming in 2009 door zijn broer is overgenomen. Op het aanvraagformulier heeft hij ook gemeld dat hij schulden heeft als gevolg van een flexibel krediet bij de ABN AMRO en een jongerenrekening bij de Rabobank. Voor zover de gemeente over onvoldoende informatie beschikte was het aan de gemeente om nader onderzoek te verrichten naar de precieze invulling van de bedrijfsvoering en de overdracht van de onderneming alvorens een beslissing te nemen op de aanvraag. Verder stelt appellant dat het bij de tegoeden van de rekeningen die appellant niet zou hebben opgegeven louter gaat om schulden en negatief vermogen. Hierdoor zijn de bijschrijvingen en afboekingen van deze rekeningen niet relevant en vormen deze geen beletsel voor

bijstandsverlening.

4.3.

Op het aanvraagformulier van 26 augustus 2010 heeft appellant twee rekeningen opgegeven, [nr. 1] en [nr. 2]. Als schulden heeft appellant een flexibel krediet bij de ABN AMRO van € 25.000,- en een jongerenrekening bij de Rabobank van € 900,- gemeld. Uit het onderzoek is gebleken dat appellant de enige procuratiehouder is van de ondernemersrekeningen bij de ABN AMRO die op naam staan van supermarkt [naam supermarkt], te weten twee rekeningen-courant, [nr.1] en [nr.2], en een kredietrekening met

rekeningnummer [nr. 3]. Dit krediet is, zo heeft appellant gesteld, het flexibel krediet dat appellant op het aanvraagformulier heeft opgegeven.

4.4.

Vaststaat dat appellant op het aanvraagformulier uit augustus 2010 de rekeningen-courant met rekeningnummers [nr.1] en [nr.2] waarvan hij procuratiehouder was niet heeft opgegeven. Van het flexibel krediet heeft hij op het aanvraagformulier geen nadere omschrijving gegeven, zoals een rekeningnummer, terwijl hij privé ook over een flexibel krediet beschikte. Met de enkele vermelding van een flexibel krediet heeft hij dan ook niet kenbaar gemaakt om welke rekening het ging en dat het een ondernemersrekening betrof. Hij heeft bovendien niet opgegeven dat hij van drie ondernemersrekeningen de enige procuratiehouder was. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij van de ondernemingsrekeningen opgave had moeten doen. De omstandigheid dat appellant, naar zijn zeggen, de ondernemersrekeningen van supermarkt [naam supermarkt] niet meer gebruikte omdat hij het bedrijf in 2009 aan zijn broer heeft verkocht, betekent niet dat hij van deze rekeningen geen opgave hoefde te doen. Deze ondernemersrekeningen stonden immers op zijn naam en hij was daarvan de enige procuratiehouder. Door daarvan geen mededeling te doen aan het college bij de aanvraag heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij voorafgaand aan de aanvraag van augustus 2010 bij het college heeft gemeld dat hij de enige procuratiehouder van drie ondernemersrekeningen was. Onder die omstandigheden kan appellant zich er niet op beroepen dat hij erop mocht vertrouwen dat het college over voldoende informatie beschikte en dat hem dit later niet meer kan worden tegengeworpen.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.7.

Vaststaat dat in de periode van 24 augustus 2010 tot en met 17 mei 2011 de drie ondernemersrekeningen van supermarkt [naam supermarkt] op naam van appellant stonden en dat hij daarvan de enige procuratiehouder was. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat ook in de periode na 24 augustus 2010 vele transacties hebben plaatsgevonden tussen de ondernemersrekeningen en het privé krediet met nummer 51.82.34.266 en vervolgens weer transacties tussen dit krediet en de privé rekening met nummer [nr. 1]. Hieruit volgt dat in deze periode sprake was van financiële verstrengeling tussen appellant en supermarkt [naam supermarkt]. Terecht heeft het college daarom geconcludeerd dat de financiële situatie van appellant ondoorzichtig is en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Appellant heeft geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij in de te beoordelen periode niet over de tegoeden van de ondernemersrekeningen van supermarkt [naam supermarkt] kon beschikken. De stelling van appellant dat de transacties niet relevant zijn omdat het gaat om schulden en negatief vermogen treft geen doel, reeds omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. De ondernemersrekening met nummer [nr.1] had namelijk gedurende de gehele te beoordelen periode een creditsaldo. Voorts kan er ook bij een negatief saldo sprake zijn van geldstromen, af- en bijschrijvingen, die van betekenis zijn voor de financiële situatie van appellant.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

4.9.

Gelet op het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting is nog in geschil de weigering om aan appellant bijstand toe te kennen over de periode van 18 mei 2011 tot en met 4 juli 2011. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden, maar deze periode ligt voor de datum van de melding bij het UWV Werkbedrijf. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór 5 juli 2011 buiten staat was zich te melden om bijstand aan te vragen dan wel dat hij een gegronde reden voor de latere melding had. Dat appellant, na ontvangst van het besluit van 17 mei 2011 waarbij de bijstand werd beëindigd, zich eerst tot zijn gemachtigde heeft gewend voor overleg, kan niet als een zodanige gegronde reden worden aangemerkt. Onbekendheid met wettelijke regelgeving leidt niet tot een bijzondere omstandigheid op grond waarvan afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend te rechtvaardigen is.

4.10.

De stelling van appellant dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat het college appellant had moeten aanmerken als een persoon zonder adres in de zin van artikel 41, tweede lid, van de WWB, nu zijn officiële woonadres - volgens de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) - niet zijn feitelijke verblijfsadres was, treft geen doel. Van belang is de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag. Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat zijn verblijfadres [adres 1] te [woonplaats] is en te kennen gegeven dat hij bij zijn ouders inwoont. Volgens zijn eigen opgave beschikte hij dan ook over een verblijfadres. Dat appellant op een ander adres in de GBA stond ingeschreven doet daar niet aan af. Appellant heeft zijn aanvraag ook ingediend als een reguliere aanvraag om algemene bijstand als alleenstaande. Het college heeft appellant daarom terecht niet aangemerkt als een persoon zonder adres in de zin van artikel 41, tweede lid, van de WWB.

4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

4.12.

Gelet op 4.8 en 4.11 is voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade geen plaats.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) A.C. Oomkens

HD