Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
12-4114 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellante heeft een erfenis ontvangen. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4114 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 juni 2012, 11/965 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het bestuur per 1 januari 2011 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder bestuur tevens verstaan deze bestuurscommissie.

Namens appellante heeft mr. G. Ris, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Voor appellante is verschenen mr. Ris. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Euser.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 5 september 1983 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van de door het inlichtingenbureau ontvangen informatie dat appellante in 2009 een bedrag van € 1.153,- aan rente heeft ontvangen op een bij het bestuur onbekende bankrekening met nummer[nr.] heeft de sociale recherche van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, afdeling Zuid te Breda op verzoek van het bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder andere dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij de Belastingdienst, zijn bankafschriften opgevraagd, is appellante op 10 maart 2011 verhoord en is haar broer op 11 maart 2011 als getuige gehoord. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellante heeft verzwegen dat zij, na het overlijden van haar moeder op 10 mei 2007, een erfenis heeft ontvangen, dat sinds 29 april 2008 een rekening met nummer[nr.] op naam van appellante staat, dat zij in de periode van 29 april 2008 tot 3 november 2008 hierop een bedrag van € 92.834,70 heeft ontvangen dat afkomstig is van de erfenis en dat op 29 april 2009 het restant van deze rekening, € 338,28, is overgeboekt naar de bij het bestuur bekende rekening. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 7 april 2011.

1.3.

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het bestuur met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante met ingang van 6 december 2010 opgeschort. Bij besluit van 10 januari 2011 heeft het bestuur, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, de bijstand van appellante met ingang van 6 december 2010 ingetrokken op de grond dat zij geen gevolg heeft gegeven aan de gegeven hersteltermijn en het verzoek om aanvullende informatie te verstrekken over de bankrekening met

nummer[nr.].

1.4.

Het resultaat van het onderzoek is daarnaast voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 6 april 2011 de bijstand van appellante over de periode van 10 mei 2007 tot en met 5 december 2010 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 48.417,03 van appellante terug te vorderen.

1.5.

Bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het bestuur in de eerste plaats het tegen het besluit van 14 december 2010 ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Verder is het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2011 ongegrond verklaard, waaraan het volgende ten grondslag is gelegd. Appellante had op

10 mei 2007, de datum van overlijden van haar moeder (peildatum), aanspraak op een erfenis. Daarom is de bijstand terecht vanaf de peildatum teruggevorderd. Appellante kon, zo bleek uit het onderzoek, uiteindelijk beschikken over een bedrag uit de erfenis van € 92.834,70. Dat heeft zij niet aan het bestuur gemeld. Dit bedrag is bepaald aan de hand van diverse stortingen in 2008 op de verzwegen bankrekening van appellante. Zij had gelet op deze middelen geen recht op bijstand omdat zij over voldoende middelen beschikte om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Vanaf 8 april 2009 lag het banksaldo van appellante, vanwege diverse contante geldopnames in korte tijd, weliswaar beneden de voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen, maar appellante heeft niet aangetoond waaraan zij het geld heeft besteed. Omdat er niet is gebleken van schulden, is het ook mogelijk dat appellante nog over het vermogen beschikte. Appellante heeft hierover geen nadere mededelingen gedaan, zodat ook in zoverre de inlichtingenverplichting is geschonden en het recht op bijstand niet meer kon worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij vanwege het overlijden van haar moeder en de door haar ondergane medische behandeling, geestelijk niet in staat was tijdig aan haar inlichtingenverplichting te voldoen of om uitstel te vragen. In verband hiermee had het bestuur moeten vaststellen dat appellante verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden en is tevens sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking met ingang van 6 december 2010

4.1.

Appellante heeft pas bij brief van 14 april 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van

14 december 2010 tot intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 6 december 2010. Het bestuur heeft het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante bij het instellen van het bezwaar de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift binnen zes weken niet in acht heeft genomen. Niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

Terugvordering over de periode van 10 mei 2007 tot 29 april 2008

4.2.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellante een erfenis heeft ontvangen van haar op 10 mei 2007 overleden moeder ter hoogte van

€ 92.834,70 en dat dit bedrag in gedeelten vanaf 29 april 2008 op haar bankrekening met nummer[nr.] is gestort.

4.3.

Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan.

4.4.

Of het bijstandverlenend orgaan op basis van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB over kan gaan tot terugvordering hangt in de eerste plaats af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend. Verder is vereist dat de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige overige bestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Aan deze voorwaarden is voldaan. De aanspraak op de erfenis is op 10 mei 2007 ontstaan, de gelden uit de erfenis zijn op (en vanaf) 29 april 2008 beschikbaar gekomen en aan appellante is over de gehele periode van 10 mei 2007 tot

29 april 2008 bijstand verleend.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 was het bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periode van 10 mei 2007 tot 29 april 2008 terug te vorderen. Het bestuur voert het beleid dat steeds wordt overgegaan tot gehele terugvordering van de kosten van ten onrechte verleende bijstand, tenzij sprake is van dringende redenen. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Anders dan appellante betoogt, levert haar geestelijke toestand geen dringende reden op in de hiervoor genoemde zin.

Intrekking en terugvordering over de periode van 29 april 2008 tot en met

5 december 2010

4.6.

Appellante heeft het bestuur niet gemeld dat zij beschikte over de bankrekening met rekeningnummer[nr.]. Daarmee heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Gedurende de gehele periode van 29 april 2008 tot 8 april 2009 beschikte appellante over een tegoed op de meergenoemde bankrekening dat hoger was dan de grens van het vrij te laten vermogen. Aangezien geen sprake was van negatieve vermogensbestanddelen, heeft het bestuur terecht besloten dat zij daarom over die periode geen recht had op bijstand.

4.8.

Vanaf 8 april 2009 was het saldo op deze bankrekening lager dan de voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen. Aan de intrekking van de bijstand vanaf die datum heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand of aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.2.

Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de besteding van de grote sommen geld die zij in de periode voorafgaand aan 8 april 2009 heeft opgenomen. Het bestuur heeft terecht laten meewegen dat appellante in de periode vanaf deze datum geen aantoonbare schulden heeft gemaakt en dat ook de conclusie zou kunnen worden getrokken dat appellante vanaf deze datum nog steeds over een te hoog vermogen beschikte. De schending van de inlichtingenverplichting heeft dus tot gevolg gehad dat niet kan worden vastgesteld of appellante vanaf 8 april 2009 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.9.

Gelet op 4.6 tot en met 4.8.2. was het bestuur bevoegd de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over de periode van

29 april 2008 tot en met 5 december 2010 in te trekken. In hetgeen door appellante is aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het bestuur niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.10.

Het bestuur was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tevens bevoegd de kosten van de aan appellante over de periode van 29 april 2008 tot en met 5 december 2010 verleende bijstand van haar terug te vorderen. Met betrekking tot de door appellante gestelde dringende redenen om van terugvordering af te zien wordt verwezen

naar 4.5.

Slot

4.11.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt mee dat ook het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD