Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
11-2978 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toeslag. Gezamenlijke huishouding. Uit de relatie van appellant en K is een kind geboren. Toereikende grondslag voor het standpunt van het Uwv dat appellant en K hun hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres. Het gezamenlijke inkomen uit arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant en K staat aan toekenning van een toeslag in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2978 TW

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 april 2011, 10/2596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Vaessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellant is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt van het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 13 april 2010 heeft hij op grond van de Toeslagenwet (TW) een toeslag op zijn WAO-uitkering aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 13 april 2009 een toeslag toegekend. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt voor zover daarbij aan de toekenning slechts terugwerkende kracht is gegeven voor een periode van een jaar. Hij heeft naar voren gebracht dat hij al in 2007 aan het Uwv heeft gemeld dat hij en zijn

ex-partner uit elkaar zijn en dat hij toen al recht had op een toeslag.

1.3.

Bij besluit van 14 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat ingevolge de TW het recht op toeslag niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om toeslag werd ingediend en dat hier geen sprake is van een bijzonder geval dat rechtvaardigt dat van die hoofdregel wordt afgeweken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspaak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant beoogt met het hoger beroep te bereiken dat aan hem (ook) over de periode van maart 2007 - in welke maand hij en zijn partner uit elkaar zijn gegaan - tot 13 april 2009 (periode in geding) een toeslag op zijn WAO-uitkering wordt toegekend.

4.2.

Artikel 11, zesde lid, van de TW, voor zover hier van belang, bepaalde tot 1 juli 2009 dat het recht op toeslag niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Per 1 juli 2009 is deze bepaling vervallen. Pas per 1 januari 2011 is deze bepaling opnieuw - in het zevende lid van

artikel 11 - in de TW opgenomen. De rechtbank heeft dat weliswaar onderkend maar, zoals appellant terecht als beroepsgrond naar voren heeft gebracht, daaraan niet de juiste conclusie verbonden voor het bestreden besluit. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, had het Uwv de aanspraak van appellant op toeslag over de periode in geding ten volle inhoudelijk moeten beoordelen. De rechtbank heeft zich evenwel beperkt tot het antwoord op de vraag of appellant eerder dan op 13 april 2010 een aanvraag om toeslag heeft ingediend dan wel of het Uwv uit eerdere correspondentie en contacten met appellant had moeten begrijpen dat hij een toeslag op zijn WAO-uitkering wenste.

4.3.

Reeds in de fase van het beroep heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat een nadere inhoudelijke beoordeling van de aanspraak op toeslag niet tot toekenning van de toeslag zou leiden, aangezien appellant in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met zijn ex-partner,[K.] (K), uit welke relatie een kind is geboren.

4.4.

Appellant heeft, voor het geval uit de aangevallen uitspraak zou kunnen worden afgeleid dat de rechtbank bedoeld heeft te zeggen dat geen recht op bijstand bestaat vanwege het onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de TW, in het hoger beroepschrift daarover een standpunt ingenomen. Het Uwv heeft in het verweerschrift in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank heeft overwogen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellant met K en zich daarover nader uitgelaten.

4.5.

In aanvulling op 4.2 (slot) is de Raad van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen antwoord heeft gegeven op de vraag of appellant in de periode in geding met K een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat de bewoordingen van de uitspraak, waaronder in ieder geval de in het hoger beroepschrift aangehaalde passage daaruit, ook geen aanknopingspunten bieden voor de uitleg dat de rechtbank bedoeld heeft dat er wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding geen recht op toeslag bestond.

4.6.

Uit 4.2 en 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens nagaan welk vervolg hieraan moet worden gegeven.

4.7.

Beide partijen hebben zich in hoger beroep uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of in de periode in geding sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding van appellant met K. Zij hebben dat standpunt ook onderbouwd. Gelet daarop en mede met het oog op het belang van een definitieve beslechting van het geschil, zal de Raad de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar de hiervoor bedoelde vraag zelf beantwoorden.

4.8.

Aangezien uit de relatie van appellant en K een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en K in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat hij en K in maart 2007 uit elkaar zijn gegaan, dat K sedert maart 2007 in Amsterdam woont en alleen nog af en toe in de weekenden naar de woning op het adres [adres 1] in [woonplaats] (uitkeringsadres) komt, in welke woning hij met hun gezamenlijke dochter is blijven wonen. Het Uwv heeft dat tegengesproken.

4.10.

De gedingstukken bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het Uwv dat appellant en K gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres.

4.10.1.

In de eerste plaats is van belang dat K in de gehele periode in geding op het uitkeringsadres ingeschreven heeft gestaan in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Van een inschrijving van K in de GBA van de gemeente Amsterdam is niet gebleken.

4.10.2.

Verder is bij het Uwv het uitkeringsadres ook bekend als het woonadres van K, die vanaf 2006 van het Uwv een WIA-uitkering ontvangt. Het Uwv heeft er op gewezen dat het uitkeringsadres werd gebruikt voor alle correspondentie met K, ook voor oproepen om op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen, aan welke oproepen K ook gevolg heeft gegeven. Op een bankafschrift (Girorekening) van 15 augustus 2008 op naam van K is het uitkeringsadres vermeld. Uit een door het Uwv overgelegde brief van 7 januari 2009 blijkt dat K aan het Uwv als haar adres het uitkeringsadres heeft opgegeven en dat het telefoonnummer waarop K was te bereiken een telefoonnummer uit Middenmeer is. Ten slotte heeft het Uwv brieven overgelegd inzake in de periode in geding onder het Uwv gelegde beslagen, waarbij steeds als adres van K het uitkeringsadres is gebruikt.

4.11.

De in 4.10.1 en 4.10.2 vermelde feitelijke gegevens zijn in hoger beroep onweersproken gebleven. Appellant heeft zijn standpunt dat K vanaf maart 2007 in Amsterdam woonde in het geheel niet met feitelijke gegevens onderbouwd. De stelling van appellant dat K vanaf maart 2007 alleen nog af en toe in de weekenden op het uitkeringsadres komt, spoort niet met de zich bij de gedingstukken bevindende rapportage van 23 april 2009, opgesteld in het kader van de Ziektewet, waarin is vermeld dat appellant op de zolder woont. In aanmerking genomen dat ook het dochtertje van appellant op het uitkeringsadres woonde, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat K toen niet bij haar dochtertje in de woning op het uitkeringsadres woonde. In het licht van het voorgaande is verder niet belang om welke reden K in de GBA op het uitkeringsadres stond ingeschreven, zodat het standpunt van appellant daarover buiten bespreking kan blijven.

4.12.

Het gezamenlijke inkomen uit arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant en K staat aan toekenning van een toeslag in de weg.

4.13.

De conclusie is dat appellant niet in aanmerking komt voor een toeslag op zijn

WAO-uitkering voor zover het betreft de periode in geding. Dit brengt mee dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op de in deze uitspraak neergelegde gronden in stand kunnen blijven.

5.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 14 september 2010 in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 472,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

QH