Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
12-5591 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Het college heeft hieraan te recht ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld op welk adres appellant zijn hoofdverblijf heeft en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5591 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 oktober 2012, 12/2163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Namens appellant is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 1 september 2011 geremigreerd naar Turkije en op 30 november 2011 weer in Nederland teruggekeerd. Op 7 december 2011 heeft hij een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft op het daartoe bestemde aanvraagformulier als verblijfadres opgegeven [adres 1] te [plaatsnaam], het adres van zijn zoon. Op dit adres stond appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens vanaf 30 november 2011 ingeschreven. Op een aanvullende vragenlijst, gedagtekend 12 december 2011, heeft appellant als verblijfadres opgegeven [adres 2] te [plaatsnaam]. Tijdens het intakegesprek op 18 januari 2012, dat is gevoerd in aanwezigheid van een medewerker van de afdeling Handhaving, heeft appellant verklaard dat hij ruzie had gehad met zijn zoon en dat hij daarom sinds veertien dagen niet meer op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] verbleef, maar bij zijn zuster op het adres [adres 3] te [plaatsnaam]. Aansluitend op het intakegesprek hebben twee medewerkers van de afdeling Handhaving een huisbezoek afgelegd aan het adres [adres 3] te [plaatsnaam]. De bevindingen van dit huisbezoek zijn vervat in een rapport van 19 januari 2012.

1.2.

Bij besluit van 20 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld op welk adres appellant zijn hoofdverblijf heeft en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Appellant heeft achtereenvolgens opgegeven te verblijven op het adres [adres 1], het adres [adres 2] en het adres [adres 3] te [plaatsnaam]. Tijdens het huisbezoek op 18 januari 2012 aan laatstgenoemd adres zijn geen persoonlijke bezittingen van appellant aangetroffen. Gelet op de door appellant verstrekte, wisselende inlichtingen over zijn woon- en leefsituatie, was sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een vooroordeel over zijn afkomst de reden is geweest voor het afleggen van een huisbezoek.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 7 december 2011 (datum aanvraag) tot en met 20 januari 2012 (datum van het primaire besluit).

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient volgens vaste rechtspraak

(CRvB 13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2458) te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfsituatie van de belanghebbende. In het geval van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ligt het op de weg van de aanvrager om de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats en zijn woonsituatie. Voldoet de belanghebbende niet aan zijn verplichting daarover juiste en volledige informatie te verschaffen, dan is dat een grond voor afwijzing van de aanvraag, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van zijn bijstandsaanvraag onrechtmatig is geweest en dat om die reden de onderzoeksresultaten buiten beschouwing moeten worden gelaten. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat het college zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatie, aangezien de afkomst/nationaliteit van appellant bepalend is geweest voor het instellen van een onderzoek naar zijn woonsituatie.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn afkomst/nationaliteit bepalend is geweest voor het instellen van een onderzoek naar zijn woonsituatie. Dit valt in ieder geval niet op te maken uit het ‘Doorstroomformulier E-intake’ van 7 december 2011, waarnaar appellant heeft verwezen ter onderbouwing van zijn stelling dat het college zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatie, noch uit het rapport van 19 januari 2012. De omstandigheid dat op bedoeld formulier “Advies route: rood” is vermeld, is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een medewerker van de afdeling Handhaving bij het intakegesprek aanwezig was. Uit het rapport van 19 januari 2012 valt af te leiden dat de omstandigheid dat appellant verschillende verblijfadressen heeft opgegeven de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen naar zijn woonsituatie en om in dat kader een huisbezoek af te leggen op het adres waar hij stelde al veertien dagen te verblijven. Dat tijdens de hoorzitting van de kant van de bezwaarschriftencommissie is opgemerkt dat het “in Turkse kringen toch ongewoon is om een ouder te laten zitten”, is, anders dan appellant stelt, in samenhang met de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende voor de conclusie dat het college zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatie.

4.5.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat voor het afleggen van een huisbezoek geen redelijke grond bestond, zodat de bevindingen tijdens het huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellant heeft tot driemaal toe in korte tijd een ander verblijfadres opgegeven. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek.

4.7.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het college uit de bevindingen tijdens het huisbezoek aan het adres [adres 3] ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat appellant feitelijk niet op dat adres verbleef. Appellant wijst er hierbij op dat hij berooid was teruggekeerd uit Turkije en nagenoeg niets bezat.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Tijdens het huisbezoek in de woning op het adres [adres 3] zijn geen persoonlijke bezittingen van appellant aangetroffen. Op basis daarvan is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op dat adres. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat appellant tijdens het intakegesprek heeft verklaard dat hij al veertien dagen verbleef op genoemd adres. Dat appellant, naar hij stelt, berooid uit Turkije was teruggekomen, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

4.9.

Uit 4.4, 4.6 en 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

sg