Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-5782 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellante niet alle op haar naam staande bankrekeningen aan het college heeft gemeld en appellante van de door het college opgevraagde bankafschriften niet alle opeenvolgende nummers heeft overgelegd. Schending inlichtingverplichting. Recht op bijstand niet vastte stellen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de te beoordelen periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad indien zij haar inlichtingenverplichting was nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5782 WWB

Datum uitspraak: 10 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

4 september 2012, 12/849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. Rispens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rispens. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving laatstelijk vanaf 24 augustus 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Uit een door de belastingdienst gehouden bestandsvergelijking is gebleken dat appellante vermoedelijk over vermogen beschikte en over bankrekeningen die zij niet aan het college had opgegeven. Hierop heeft het college onder meer dossieronderzoek verricht en daarna bij appellante bankafschriften opgevraagd over de periode van 1 november 2008 tot en met

31 juli 2009. Naar aanleiding van wat uit de overgelegde afschriften naar voren kwam, heeft het college met appellante op 12 november 2010 een gesprek gevoerd. Omdat hetgeen zij in dat gesprek heeft verklaard niet overeenkwam met de gegevens uit de overgelegde bankafschriften, heeft het college vervolgens bij appellante nog bankafschriften opgevraagd vanaf 24 augustus 2007 en voorts gegevens over haar arbeidsovereenkomst als distributeur bij[werkgever].

1.3.

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 24 augustus 2007 tot en met 31 juli 2009 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.173,42 van haar teruggevorderd, op de grond dat zij niet alle gevraagde gegevens had overgelegd. Appellante heeft door het niet overleggen van alle gevraagde gegevens haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het niet mogelijk was het recht op bijstand vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 16 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante niet alle op haar naam staande bankrekeningen aan het college heeft gemeld en dat appellante van de door het college opgevraagde bankafschriften niet alle opeenvolgende nummers heeft overgelegd. Daarmee staat vast dat zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.2.

Schending van de inlichtingverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3.

Appellante bestrijdt niet dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij stelt zich echter op het standpunt dat haar recht op bijstand desondanks kan worden vastgesteld, zodat het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken. Hiertoe acht zij van belang dat uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de bedragen op alle bankrekeningen tezamen steeds onder de grens van het voor haar vrij te laten bescheiden vermogen zijn gebleven. Appellante bestrijdt voorts dat zij inkomsten heeft genoten als distributeur van[werkgever]. Zij is distributeur geworden om op die manier goedkoper zalven te kunnen aanschaffen ten behoeve van haar dochter.

4.4.

Deze beroepsgronden slagen niet. Aangezien appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, ligt het, zoals onder 4.2 is overwogen, op haar weg om aannemelijk te maken dat zij in de te beoordelen periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad indien zij haar inlichtingenverplichting was nagekomen. Appellante is daarin niet geslaagd. Het college heeft terecht vastgesteld dat door het ontbreken van de volledige bankafschriften over de periode van 24 augustus 2007 tot en met 31 juli 2009 niet inzichtelijk is hoe appellante de betreffende rekeningen heeft gebruikt en welke transacties zij daarmee heeft verricht. Weliswaar is vastgesteld dat het totaal vermogen op die rekeningen op 31 december 2007, 2008 en 2009 onder de grens van het vrij te laten vermogen bleef, maar door het ontbreken van bankafschriften kan niet worden vastgesteld welke eventuele tussentijdse mutaties ten aanzien van het vermogen hebben plaatsgevonden terwijl evenmin zicht is verkregen op eventuele inkomsten. Hierbij is van belang dat uit de overgelegde afschriften van rekeningnummer [nr. 1] blijkt dat daarop regelmatig stortingen op eigen rekening plaatsvonden. Voorts gaan de op deze rekening gedane uitgaven ten behoeve van[werkgever] het bedrag te boven dat blijkens de schadestaat voor de dochter van appellante voor Aloë zalven werd gebruikt. Ook komen de ontvangen bedragen uit verkoop van producten van[werkgever], zoals vermeld in de overgelegde verkoopbonnen, niet overeen met de ontvangen bedragen op

rekeningnummer [nr. 2] die betrekking hebben op deze verkoop. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat, doordat appellante geen volledig inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie, niet is vast te stellen of zij recht op bijstand dan wel aanvullende bijstand had.

4.5.

Dat appellante er niet in is geslaagd de vereiste duidelijkheid te bieden, komt voor haar rekening en risico. De stelling dat aan appellante niet kan worden toegerekend dat zij niet alle gevraagde afschriften heeft overgelegd, behoeft geen bespreking omdat appellante niet bestrijdt dat zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.6.

Ten slotte slaagt de beroepsgrond dat de onderhavige maatregel op een onjuist benadelingsbedrag is afgestemd niet, omdat aan appellante geen maatregel is opgelegd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) A.C. Oomkens

HD