Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-2927 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Tussen appellante en belanghebbende is geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Het Uwv heeft ten onrechte het standpunt betrokken dat sprake was van een situatie waarin belanghebbende als zieke werknemer ten opzichte van appellante aanspraak kon maken op doorbetaling van zijn loon. Vernietiging bestreden besluit. Het Uwv zal worden opgedragen opnieuw te beslissen. Een definitieve beslissing van het geschil is thans niet mogelijk, omdat belanghebbende in hoger beroep niet als partij aan het geding heeft deelgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2927 ZW

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ʼs-Hertogenbosch van

5 april 2012, 11/3319 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en geantwoord op een vraag van de Raad.

D. [naam belanghebbende], die als belanghebbende aan het geding bij de rechtbank heeft deelgenomen, heeft laten weten in hoger beroep geen partij te zijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar algemeen directeur[naam algemeen directeur]. Voor het Uwv is, met bericht, niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Met een op 6 juni 2011 door het Uwv ontvangen brief heeft [naam belanghebbende] melding gemaakt van zijn met ingang van 8 april 2011 ingetreden ongeschiktheid tot werken wegens ziekte en verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het Uwv aan [naam belanghebbende] een ZW-uitkering ontzegd, omdat op de werkgever van [naam belanghebbende] de verplichting rust om tijdens zijn ziekte het loon door te betalen. Volgens het Uwv is [naam belanghebbende] met appellante mondeling een arbeidsovereenkomst overeengekomen voor de duur van zes maanden zonder proeftijd.

1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juni 2011. Zij heeft te kennen gegeven dat [naam belanghebbende] op de afgesproken datum 4 april 2011 niet is verschenen om een schriftelijke arbeidsovereenkomst te tekenen en nooit voor appellante heeft gewerkt. Bij besluit van 26 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 17 juni 2011 gehandhaafd.

2.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank volgt uit de door appellante en [naam belanghebbende] gewisselde e-mailberichten dat zij met ingang van 4 april 2011 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan voor 38 uur per week. Daaraan doet niet af dat [naam belanghebbende] de overeengekomen werkzaamheden niet feitelijk heeft verricht, zich niet heeft ziek gemeld bij appellante en geen aanspraak heeft gemaakt op doorbetaling van loon.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep benadrukt dat zij voornemens was met [naam belanghebbende] een proeftijd overeen te komen en dat daarvoor op grond van de toepasselijke CAO een schriftelijke arbeidsovereenkomst een vereiste was. Zij heeft ter zitting toegelicht dat het haar bedoeling was om op 4 april 2011 met [naam belanghebbende] te spreken over de omvang van de arbeidsovereenkomst, over de werktijden en over het salaris dat [naam belanghebbende] als kok in dienst van appellante zou kunnen verdienen. Als over deze punten overeenstemming zou zijn bereikt, zou appellante aan [naam belanghebbende] een schriftelijke arbeidsovereenkomst ter ondertekening hebben voorgelegd en zou [naam belanghebbende], al naar gelang de over zijn werktijden gemaakte afspraken, direct na ondertekening daarvan of op een later moment aan het werk zijn gegaan. Appellante heeft herhaald dat [naam belanghebbende] op 4 april 2011 niet is verschenen en niet heeft laten weten door ziekte verhinderd te zijn.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van (een gedeelte van) zijn loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht, omdat hij in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte daartoe verhinderd was. Er is sprake van een werknemer in de zin van

artikel 7:629, eerste lid, van het BW als zijn arbeidsverplichting stoelt op een arbeidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 7:610, eerste lid, van het BW.

4.2.

Voor de beantwoording van de vraag of het Uwv terecht het standpunt heeft betrokken dat [naam belanghebbende], die heeft gesteld dat hij met ingang van 8 april 2011 als gevolg van ziekte niet tot werken in staat was, recht had op loon van appellante, is bepalend of [naam belanghebbende] met appellante een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.

4.3.

Uit de e-mailberichten die appellante en [naam belanghebbende] op 22 maart 2011 aan elkaar hebben gezonden, volgt niet dat zij reeds overeenstemming hadden bereikt over de indiensttreding van [naam belanghebbende] bij appellante. Zij maakten de afspraak dat [naam belanghebbende] op 24 maart 2011 een zogenoemde proefdag zou werken. De e-mailberichten bevatten vragen van [naam belanghebbende] over de arbeidsvoorwaarden die zouden gelden als appellante en [naam belanghebbende] een arbeidsovereenkomst zouden sluiten en de daarop door appellante gegeven antwoorden.

4.4.

Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij niet alleen [naam belanghebbende], maar ook andere sollicitanten voor een proefdag had uitgenodigd. Nadat zij zich van de sollicitanten op verschillende proefdagen een beeld had gevormd, heeft zij [naam belanghebbende] laten weten dat zij met hem een arbeidsrelatie zou willen aangaan. Daartoe is met [naam belanghebbende] afgesproken dat hij op 4 april 2011 bij appellante zou verschijnen om de arbeidsvoorwaarden te bespreken en vervolgens een schriftelijke arbeidsovereenkomst te tekenen. Uit de telefoonnotitie, die is opgemaakt van een gesprek dat een medewerker van het Uwv met [naam belanghebbende] heeft gevoerd, lijkt te volgen dat deze afspraak op 31 maart 2011 werd gemaakt.

4.5.

Voor zover het standpunt van het Uwv zo moet worden begrepen dat tussen appellante en [naam belanghebbende] op 31 maart 2011 mondeling een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, ontbreekt de onderbouwing daarover. De enkele overtuiging van [naam belanghebbende], zoals aangeduid in de in 4.4 genoemde telefoonnotitie, is niet toereikend om het bestaan van een wederkerige overeenkomst aan te nemen.

4.6.

Dat [naam belanghebbende] op 4 april 2011 voor appellante heeft gewerkt, heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt. Tegenover de verklaring van [naam belanghebbende] dat hij op 4 april 2011 heeft gewerkt, staat de verklaring van appellante dat [naam belanghebbende] geen gevolg heeft gegeven aan de afspraak om op 4 april 2011 de arbeidsvoorwaarden te bespreken en een arbeidsovereenkomst te tekenen en - dus - ook niet aan het werk is gegaan. De verklaring van appellante, dat [naam belanghebbende] verstek heeft laten gaan, wordt ondersteund door de in het bij de rechtbank ingediende beroepschrift opgenomen verklaring van A. Verwaijen, chef-kok bij appellante, dat [naam belanghebbende] op 4 april 2011 niet is verschenen.

4.7.

De verklaringen van appellante en Verwaijen zijn in lijn met een bericht dat appellante, al voordat [naam belanghebbende] zijn aanvraag om een ZW-uitkering bij het Uwv indiende, aan [naam belanghebbende] heeft gezonden. Op verzoek van de gemachtigde van [naam belanghebbende] in zijn letselschadezaak om van de werkgever een verklaring te verkrijgen dat hij “daar op 1 april zou starten en dat zij het loon niet doorbetalen en waarom” heeft appellante met een op 9 mei 2011 aan [naam belanghebbende] verzonden e-mailbericht geantwoord: “Wij hadden de afspraak dat je bij ons in dienst zou treden per 1 april 2011, voor bepaald tijd met een proeftijd van 2 maanden. Door jouw ongeluk van 28 maart j.l., is het in dienst treden niet doorgegaan”.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat tussen appellante en [naam belanghebbende] geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en dat het Uwv ten onrechte het standpunt heeft betrokken dat op 8 april 2011 sprake was van een situatie waarin [naam belanghebbende] als zieke werknemer ten opzichte van appellante aanspraak kon maken op doorbetaling van zijn loon.

4.9.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit zullen worden vernietigd. Het Uwv zal worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juni 2011. Een definitieve beslissing van het geschil is thans niet mogelijk, omdat [naam belanghebbende] in hoger beroep niet als partij aan het geding heeft deelgenomen.

5.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Voor vergoeding komen in aanmerking de verletkosten van de algemeen directeur van appellante, haar reiskosten (op basis van de kosten van openbaar vervoer) en de kosten van uittreksels uit het Handelsregister. Niet voor vergoeding in aanmerking komen de door appellante opgevoerde kosten van advisering door EDF, omdat appellante niet heeft aangetoond dat deze kosten zijn gemaakt. De verletkosten worden begroot op € 477,81, te weten vier uur à € 53,09 per uur voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank en vijf uur à 53,09 per uur voor het bijwonen van de zitting van de Raad. De reiskosten worden begroot op € 45,60, te weten € 15,80 voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank en € 29,80 voor het bijwonen van de zitting van de Raad. De kosten van de uittreksels worden begroot op € 22,-. Het totaalbedrag van de proceskostenveroordeling is € 545,41.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt het Uwv op opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit

van 17 juni 2011;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 545,41;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 768,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) Z. Karekezi

EK