Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-5857 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Er zijn na ommekomst van de hoorzitting niet zodanige nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen dat er aanleiding voor het Uwv was om appellante in de gelegenheid te stellen om haar bezwaren wederom op een hoorzitting te bespreken. Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. De geschiktheid van appellante voor de voorgehouden functies is genoegzaam gemotiveerd door de (bezwaar)arbeidsdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5857 WIA

Datum uitspraak: 6 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 september 2012, 12/983 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Kolthof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kolthof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als alphahulp voor gemiddeld 8,37 uur per week. Appellante heeft zich op 7 juli 2009 ziek gemeld. Bij besluit van 20 mei 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 5 juli 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de hoorplicht niet heeft geschonden. Tevens is appellante van mening dat het Uwv haar beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. De rechtbank heeft ten onrechte de bewijslast ten aanzien van de beperkingen die appellante ondervindt in het dagelijks leven bij haar gelegd. Ook heeft appellante naar voren gebracht dat de rechtbank haar uitspraak op het punt van de urenbeperking onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten onrechte ook heeft de rechtbank geconcludeerd dat er een voldoende arbeidskundige grondslag is.

4.

Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er na ommekomst van de hoorzitting niet zodanige nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen dat er aanleiding voor het Uwv was om appellante in de gelegenheid te stellen om haar bezwaren wederom op een hoorzitting te bespreken. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van

14 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2008:AU2734, mag van inlichtingen van behandelend artsen worden aangenomen dat deze feiten en omstandigheden bevatten die appellanten bekend zijn. Dergelijke inlichtingen, verkregen na de hoorzitting en voor het nemen van de beslissing op bezwaar, behoeven in beginsel niet te leiden tot een nieuwe hoorzitting. De verkregen informatie geeft niet blijk van een zodanige andere visie op de medische problematiek dat appellante hierover aanvullend gehoord had moeten worden.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit niet te volgen. Appellante heeft ook in hoger beroep haar stellingen niet nader onderbouwd met medische gegevens. De beschikbare gegevens bevatten voldoende informatie over de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, opvatting van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand komt niet dat gewicht toe dat zij daaraan gehecht wil zien. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd te kennen heeft gegeven dat een urenbeperking niet is geïndiceerd. In hoger beroep heeft appellante geen objectieve medische informatie ingediend die grond oplevert voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Het hoger beroep slaagt dan ook niet op dit punt.

4.3.

De geschiktheid van appellante voor de voorgehouden functies is genoegzaam gemotiveerd door de (bezwaar)arbeidsdeskundige, zoals ook naar voren komt uit het rapport van 3 april 2012. Weliswaar is dit, zoals appellante terecht heeft gesteld, niet expliciet door de rechtbank beoordeeld maar hierin is geen aanleiding gelegen de aangevallen uitspraak te vernietigen.

4.4.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) S. Aaliouli

QH