Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
11-5273 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 72a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/2

Uitspraak

11/5273 WW, 11/5274 WW

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2011, 08/2481 en 09/26 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (het college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 25 augustus 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en deze aan de Raad toegezonden.

Het college heeft naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.J.A. Boes.


OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 juli 2006 eervol ontslagen uit zijn dienstverband bij de gemeente De Ronde Venen. Hij is met ingang van 1 juli 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Deze uitkering is na tussentijdse beëindiging en herleving, geëindigd met ingang van 6 augustus 2007. Bij besluit van

10 januari 2008 heeft het college een verzoek van appellant om hulp bij zijn re-integratie afgewezen op de grond dat de gemeente heeft voldaan aan haar verplichting, op grond van artikel 72a van de WW, tot bevordering van de inschakeling in arbeid van appellant. Daarnaast heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft aangetoond dat hij door het college is belemmerd bij zijn sollicitaties.

1.2. Bij besluit van 26 juni 2008 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 januari 2008 ongegrond verklaard. Volgens het college is met de tot dan toe verrichte inspanningen voldaan aan de re-integratieverplichting van artikel 72a van de WW. Naar het oordeel van het college voldeed het door appellant ingediende

re-integratieplan niet aan de eisen, omdat daaruit niet de noodzaak van bepaalde inspanningen voor zijn re-integratie blijkt. Verder ontbrak relevante informatie over eventuele dienstverbanden.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet heeft onderbouwd waarom het door hem verzochte re-integratietraject voor hem noodzakelijk zou zijn. Het college heeft deze onderbouwing terecht van appellant verlangd omdat er duidelijke aanwijzingen waren dat appellant inmiddels een nieuw dienstverband had. Het college heeft appellant tweemaal verzocht om informatie over nieuwe dienstverbanden maar hierop heeft appellant niet gereageerd. Mede gelet op de reeds door het college tijdens het dienstverband van appellant en vlak daarna verrichte re-integratie-inspanningen, heeft de rechtbank geoordeeld dat het college heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 72a van de WW. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het door appellant verzochte re-integratietraject.

2.2. Het college is in het besluit van 26 juni 2008 echter niet ingegaan op het bezwaarschrift van appellant van 24 februari 2008, waarin hij heeft aangevoerd dat het college hem heeft gehinderd bij zijn sollicitaties en waarin hij een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan. Om die reden is het besluit van 26 juni 2008 wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en is het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

3.

Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank 25 augustus 2011 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2), waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 januari 2008 opnieuw ongegrond is verklaard. Het verzoek van appellant om hulp bij zijn re-integratie is op grond van dezelfde motivering als in bestreden besluit 1 opnieuw afgewezen. Daarnaast is het college gemotiveerd ingegaan op het standpunt van appellant dat de gemeente hem zou hebben belemmerd bij zijn sollicitaties en is het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het college niet heeft voldaan aan zijn

re-integratieverplichting en dat het college zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur door pas heel laat te reageren op zijn verzoek om re-integratie. Als het college eerder was ingegaan op zijn verzoek had appellant al eerder in een nieuwe dienstbetrekking werkzaam kunnen zijn. Appellant heeft schadevergoeding ter hoogte van de kosten van het door hem voorgestelde re-integratietraject gevorderd. Daarnaast is appellant van mening dat hij door de belemmering bij zijn sollicitaties ook schade heeft geleden omdat hij salaris is misgelopen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Bestreden besluit 2 komt niet volledig tegemoet aan het beroep van appellant, zodat dit besluit met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in de procedure dient te worden betrokken. Dit betekent dat het beroep tegen het oorspronkelijk besluit geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 25 augustus 2011.

Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat het hoger beroep zich beperkt tot het bestreden besluit 2.


5.2. Eerst in hoger beroep is vast komen te staan dat appellant met ingang van

6 augustus 2007 in een nieuw dienstverband heeft hervat. Vanaf deze datum heeft appellant geen recht meer op een WW-uitkering en bestond er dientengevolge voor het college geen

re-integratieverplichting op grond van artikel 72a van de WW meer. De rechtbank had de beoordeling of het college heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichting moeten beperken tot de periode van 1 juli 2006 tot 6 augustus 2007. Reeds in zoverre is de aangevallen uitspraak onjuist.

5.3.

Op grond van artikel 72a van de WW had het college niet alleen tijdens het dienstverband van appellant een re-integratieverplichting, maar ook daarna, tot aan de werkhervatting van appellant bij een andere werkgever op 6 augustus 2007. Appellant heeft gesteld dat het college naar aanleiding van zijn verzoeken van 19 en 28 november 2006 geen concrete

re-integratie inspanningen heeft verricht. Er is wel contact geweest tussen appellant en het college over de re-integratie van appellant en de rol van het college daarin, maar na een e-mail van 24 januari 2007 heeft appellant niets meer van het college vernomen. Dit is door het college niet betwist. Hiermee heeft het college niet aan zijn verplichting van artikel 72a van de WW voldaan. Het hoger beroep slaagt in zoverre en het bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd. Er is echter geen grond voor het toekennen van schadevergoeding aan appellant omdat hij geen aantoonbare schade heeft geleden. Evenmin is in het oordeel, dat het college niet aan artikel 72a van de WW heeft voldaan, een grond gelegen voor herstel van het dienstverband van appellant tot aan de datum van zijn werkhervatting, zoals appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld.

5.4.

De grond van appellant, dat het college hem heeft belemmerd bij zijn sollicitaties, slaagt niet. Met de door appellant tijdens de zitting van de Raad overgelegde stukken heeft hij niet aangetoond dat van belemmering door het college sprake is geweest. Er is dan ook op deze grond geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

5.5.

Uit de overwegingen 5.2. tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behalve ten aanzien van de beslissing over de proceskosten en het griffierecht. Ook bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd. De rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 kunnen geheel in stand blijven omdat het college terecht heeft geoordeeld dat er geen grond is om schadevergoeding toe te kennen.


6. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 17,- aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 augustus 2011 geheel in

stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 17,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

RB