Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
12-5538 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Pgb. Huishoudelijke verzorging. 1) De brief inhoudende verlaging uurtarief moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Het college heeft het bezwaar hiertegen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 2) Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het doen van boodschappen gebruik kan worden gemaakt van een boodschappenservice, waardoor geen noodzaak bestaat om daarvoor pgb toe te kennen. 1) De Raad draagt het college op het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/23
AB 2014/76 met annotatie van I. Sewandono
JWWB 2014/28
ABkort 2014/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5538 WMO-T

Datum uitspraak: 20 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 augustus 2012, 11/3240 WMO (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Rotterdam (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Op verzoek van de Raad heeft het college enkele vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013 waar mr. Van Zundert namens appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het college appellante huishoudelijke verzorging voor 5 uur en 30 minuten per week voor de periode van 1 januari 2008 tot 19 november 2010 toegekend, waarbij de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) op € 382,84 per

vier weken is vastgesteld.

1.2.

In een brief van 19 juni 2009 staat vermeld dat het college op 2 juni 2009 heeft besloten dat het pgb voor huishoudelijke verzorging voor alle klanten gelijk wordt getrokken, hetgeen concreet voor appellante betekent dat zij vanaf 13 juli 2009 een lager pgb ontvangt, omdat deze wordt gebaseerd op een bedrag van € 16,68 per uur in plaats € 17,40 per uur.

1.3.

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college de op 19 november 2010 verlopen toekenning van huishoudelijke verzorging tot 28 februari 2011 verlengd en appellante voor de periode van 28 februari 2011 tot en met 27 februari 2016 in aanmerking gebracht voor huishoudelijke verzorging voor 2 uur en 30 minuten per week.

1.4.

Bij besluit van 21 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college het namens appellante tegen de brief van 19 juni 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 22 februari 2011 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft hierbij overwogen dat het bedrag van € 16,68 per uur voor het pgb reeds op

19 juni 2009 aan appellante is meegedeeld en dat zij hiertegen geen bezwaar meer kan maken. Ook is overwogen dat de afronding van de toegekende minuten niet correct is en afgerond moet worden op 3 uur per week. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat appellante gebruik kan maken van een boodschappenservice. Aan appellante wordt voor het doen van boodschappen geen huishoudelijke verzorging toegekend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht heeft beslist dat door appellante gebruik kan worden gemaakt van de boodschappenservice. Verder heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard nu het bedrag van € 16,68 per uur volgt uit een niet voor bezwaar openstaand algemeen verbindend voorschrift.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft zij aangevoerd dat ten onrechte aan de brief van 19 juni 2009, waartegen zij tijdig bezwaar heeft gemaakt, voorbij is gegaan. Daarnaast is ten onrechte en in strijd met de rechtszekerheid aan appellante geen 5 uur en 30 minuten voor huishoudelijke verzorging toegekend. Ten tijde van de onderhavige besluitvorming was geen boodschappenservice aanwezig of hiervoor moest een aanzienlijke bijdrage worden betaald. Daarnaast is appellante aangewezen op producten van de Surinaamse toko, die geen boodschappendienst heeft. Bovendien beschikt appellante niet over een computer om boodschappen via internet te bestellen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad is van oordeel dat de brief van 19 juni 2009 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiermee is immers de tussen partijen op basis van een eerdere toekenning bestaande rechtsverhouding gewijzigd, in die zin dat per 13 juli 2009 een pgb op basis van een lager uurtarief aan appellante zal worden verstrekt.

4.2.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.3.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.

4.4.

Niet in geschil is dat het besluit van 19 juni 2009 niet aangetekend is verzonden, dat het niet is voorzien van een adressering op naam en dat het college niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie. De verzending naar het adres van appellante is dan ook niet aannemelijk. Hieruit volgt dat de termijn voor het maken van bezwaar pas is aangevangen op 9 februari 2011, de dag na die waarop een medewerker van het college een afschrift van het besluit van 19 juni 2009 aan appellante heeft uitgereikt. Dit leidt tot de conclusie dat het bezwaar dat appellante op 14 februari 2011 tegen dit besluit heeft gemaakt tijdig is ingediend.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van

19 juni 2009 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

4.6.

De Raad dient vervolgens te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college dient hiertoe alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Hierbij dient het college zich rekenschap te geven van het volgende. De bekendmaking van het besluit van 19 juni 2009 op 8 februari 2011 leidt tot de situatie dat appellante eerst op dat moment werd geconfronteerd met het besluit om een lager uurtarief te hanteren. Dit betekent dat dit besluit voor haar terugwerkende kracht heeft tot 13 juli 2009. Het beginsel van rechtszekerheid brengt mee dat in deze situatie aan appellante een overgangsperiode moet worden geboden, die haar in staat stelt zich op de wijziging van het uurtarief in te stellen.

4.7.

Verder verschillen partijen nog van mening over de vraag of van appellante gevergd kan worden dat zij gebruik maakt van een boodschappendienst.

4.8.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld CRvB 31 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147), is het hanteren van het uitgangspunt dat een boodschappendienst aan het verstrekken van een voorziening voor het doen van boodschappen in de weg staat, niet in strijd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), mits deze boodschappendienst daadwerkelijk beschikbaar is, door de aanvrager financieel kan worden gedragen en adequate compensatie biedt.

4.9.

Naar het oordeel van de Raad heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat aan de in 4.8 weergegeven eisen is voldaan. De Raad acht dit gebrek in het bestreden besluit afdoende hersteld. Het college heeft met de sociale kaart van 2010 en de nadere schriftelijke toelichting aangetoond dat ten tijde van belang bij onder meer Albert Heijn, Wij bezorgen thuis en Schouten-de Ridder een boodschappendienst beschikbaar was en dat bij deze supermarkten - met uitzondering van Albert Heijn - ook telefonisch besteld kon worden. De kosten daarvan varieerden van gratis bezorging (bij besteding boven de € 20,-) tot minimaal € 3,50 per keer. Deze boodschappenservices bieden in de situatie van appellante een adequate compensatie. Daarbij acht de Raad mede van belang dat appellante blijkens de gedingstukken in staat moet worden geacht een enkele lichte boodschap bij bijvoorbeeld de Surinaamse toko, al dan niet gesplitst per keer, met behulp van haar rollator en de aan haar door het college toegekende individuele vervoersvoorziening, zelf te doen. Tot slot heeft appellante weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt, dat zij een boodschappenservice financieel niet kan dragen.

4.10.

Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het doen van boodschappen gebruik kan worden gemaakt van een boodschappenservice, waardoor geen noodzaak bestaat om het doen van boodschappen toe te kennen. De Raad volgt appellante hierbij ten slotte niet in haar betoog dat het college in strijd zou hebben gehandeld met het beginsel van de rechtszekerheid door met ingang van 28 februari 2011 niet langer uren voor het doen van boodschappen toe te kennen. Het betreft immers een toekenning op basis van een (nieuwe) aanvraag van 26 oktober 2010 over een toekomstige periode. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het in rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. van Berkel-Kikkert en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.P. Ketting

TM