Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
12-3074 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ANW-uitkering. Duuraanspraak. 1) Periode voorafgaande aan het verzoek. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. 2) Periode vanaf verzoek. Appellante en [D.] waren niet met elkaar gehuwd, noch hadden zij een geregistreerd partnerschap gesloten. Op grond van artikel 3 van de ANW kan sprake zijn van gelijkstelling met een huwelijk, waardoor een samenwonende voor de ANW behandeld wordt als ware hij gehuwd. Op de dag van overlijden van [D.] was sprake van een meerpersoonshuishouden en dus niet van een gezamenlijke huishouding. Van gelijkstelling met een huwelijk kan dan ook niet gesproken worden. Appellante kan dus niet aangemerkt worden als nabestaande in de zin van de ANW. Geen sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling met weduwen in Marokko. Nu naar Nederlands recht meer huwelijken van één persoon tegelijkertijd niet mogelijk zijn, kan niet gesproken worden van gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3074 ANW

Datum uitspraak: 6 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

18 april 2012, 11/9942 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.C. Mourits, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mourits en door G.J. [K.], wonende te [plaatsnaam]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is, met een besluit van 18 november 2009, een nabestaanden- en een halfwezenuitkering, als bedoeld in de Algemene Nabestaandenwet (ANW), toegekend per september 2009, wegens het overlijden van J.M. [D.] ([D.]) op 18 september 2009. De Svb heeft appellante, met een besluit van 19 augustus 2010, medegedeeld dat zij ten onrechte een nabestaandenuitkering heeft ontvangen. Wel blijft zij recht hebben op een halfwezenuitkering. De uitbetaalde nabestaandenuitkering zal niet teruggevorderd worden.

1.2. Voor zover van belang heeft appellante op 24 maart 2011 opnieuw een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingediend. Deze aanvraag is, met een besluit van 27 april 2011, afgewezen omdat appellante op de dag van het overlijden van [D.] met hem en een ander persoon, mevrouw [V.] ([V.]), in één huis woonde. Dit besluit is, bij besluit van

23 juni 2011, ingetrokken en vervangen door een besluit tot weigering van een nabestaandenuitkering omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden. Het bezwaar hiertegen is bij beslissing op bezwaar van 5 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat voor zover het betreft de periode tot 24 maart 2011, niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb mocht daarom besluiten niet terug te komen van het besluit van 19 augustus 2010. Ten aanzien van de periode vanaf 24 maart 2011 is de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht heeft aangenomen dat op de peildatum, 18 september 2009, sprake was van een meerpersoonshuishouden, zodat appellante niet aangemerkt kan worden als nabestaande in de zin van de ANW. Uit artikel 3, tweede en derde lid, van de ANW volgt volgens de rechtbank dat sprake moet zijn van exclusiviteit tussen twee personen, wil een gezamenlijke huishouding aangenomen kunnen worden.

3.

In hoger beroep bestrijdt appellante de eis van exclusiviteit. Zij wijst er daarbij op dat op grond van artikel 23 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV) en artikel 28 van het Administratief Akkoord de nabestaandenuitkering verdeeld kan worden tussen de weduwen van de overleden verzekerde. Hierbij wordt dus niet de eis van exclusiviteit tussen twee personen gesteld. Onverkorte handhaving van deze eis leidt tot een ongelijke behandeling tussen nabestaanden in Nederland en in Marokko.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gestelde aanspraak van appellante op een nabestaandenuitkering aangemerkt moet worden als een duuraanspraak. Dit betekent dat ingevolge vaste rechtspraak bij de toetsing van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een eerder besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.2.

Hetgeen door appellante is aangevoerd over haar woon- en leefomstandigheden ten tijde van het overlijden van [D.] kan niet aangemerkt worden als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden hadden ook aangevoerd kunnen worden in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 19 augustus 2010 tot intrekking van de nabestaandenuitkering.

4.3.

Voor zover de aanvraag ziet op de periode vanaf 24 maart 2011, ziet de Raad geen grond tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Appellante en [D.] waren niet met elkaar gehuwd, noch hadden zij een geregistreerd partnerschap gesloten. Op grond van artikel 3 van de ANW kan sprake zijn van gelijkstelling met een huwelijk, waardoor een samenwonende voor de ANW behandeld wordt als ware hij gehuwd. Uit de stukken blijkt echter, en zulks is ter zitting namens appellante ook bevestigd, dat op de dag van overlijden van [D.] sprake was van een meerpersoonshuishouden en dus niet van een gezamenlijke huishouding. Van gelijkstelling met een huwelijk kan dan ook niet gesproken worden. Appellante kan dus niet aangemerkt worden als nabestaande in de zin van de ANW.

4.4.

De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling met weduwen in Marokko. Het is mogelijk dat er meer dan één weduwe is van een in Nederland verzekerde persoon, nu het naar Marokkaans recht mogelijk is meer huwelijken tegelijk te hebben. In het NMV is daarom de mogelijkheid gecreëerd een nabestaandenuitkering zo nodig over meer personen te verdelen. Nu naar Nederlands recht meer huwelijken van één persoon tegelijkertijd niet mogelijk zijn, kan niet gesproken worden van gelijke gevallen. Daarnaast staat het staten vrij in een onderling verdrag afspraken te maken over meer of minder specifieke onderwerpen. Dat wil niet zeggen dat anderen aan een dergelijk bilateraal verdrag rechten kunnen ontlenen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

SG