Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
12-456 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,7%. Zowel het medisch als arbeidskundig onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Daarbij hecht de Raad in het bijzonder betekenis aan het gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts zijn bevindingen en conclusie, net als in de eerdere procedures het geval was, mede heeft gebaseerd op door hem ingewonnen informatie van de artsen waarbij appellant in behandeling is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/456 WIA

Datum uitspraak: 6 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

9 december 2011, 11/552 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bakker hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als verkoper/planner voor 40 uur per week en is na afloop van zijn dienstverband in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 9 januari 2006 met rug- en schouderklachten ziek gemeld. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 7 januari 2008 recht op een WGA-uitkering is ontstaan, waarbij hij 100% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2. Naar aanleiding van een heronderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2009 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 21 januari 2009 herzien naar 72%. De hoogte van zijn

WGA-uitkering is hierdoor niet gewijzigd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2009 ongegrond verklaard. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 25 november 2009 ongegrond verklaard.

1.3. Op 22 augustus 2009 heeft appellant melding gemaakt van een verslechterde gezondheidstoestand als gevolg van toegenomen rug- en nekklachten, en daaraan gerelateerde hoofdpijn en duizeligheid. Bij besluit van 17 november 2009 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 16 november 2009 vastgesteld op 68% en op basis daarvan de hoogte van de WGA-uitkering gehandhaafd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 maart 2010 ongegrond verklaard. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 22 december 2010 ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 22 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2765) heeft de Raad de in 1.2 en 1.3 genoemde uitspraken van de rechtbank bevestigd. De Raad heeft in zijn beoordeling mede een door appellant overgelegd rapport van verzekeringsarts W.M. van der Boog betrokken. De Raad heeft in dit rapport geen aanleiding gevonden voor het standpunt van appellant dat er op de toen in geding zijnde data sprake was van arbeidsbeperkingen ten aanzien van de nek en met betrekking tot torderen. De Raad heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp, omdat Van der Boog appellant niet zelf had onderzocht en hij daarenboven zijn conclusies en bevindingen niet onvoorwaardelijk had geformuleerd.

1.5. Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering op 26 augustus 2010 eindigt en dat hij met ingang van die datum recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.6. Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft het Uwv op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 70,7% bedraagt en dat voor hem met ingang van 1 februari 2011 een inkomenseis van € 455,44 geldt.

1.7. Tegen het besluit van 19 oktober 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan is appellant op 25 januari 2011 in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp gehoord. Bij deze gelegenheid heeft appellant mede het in 1.4 vermelde rapport van verzekeringsarts van Van der Boog overgelegd.

1.8. Bij besluit van 28 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zowel het medisch als het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Met betrekking tot het medisch onderzoek heeft de rechtbank meer in het bijzonder overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp nader onderzoek heeft verricht, waarover hij op

7 maart 2011 heeft gerapporteerd. Uit dit rapport blijkt dat hij het dossier heeft bestudeerd, waarin zich het rapport van verzekeringsarts Van der Boog en een recente brief van de appellant behandelend fysiotherapeut bevonden. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting bijgewoond en op zijn verzoek informatie van de behandelend orthopedisch chirurg van 16 februari 2011 ontvangen. Op basis hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, voor zover deze ziet op het “geknield of gehurkt actief zijn”. De rechtbank acht het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd en heeft verder overwogen dat door appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat het Uwv meer beperkingen had moeten aannemen dan in de FML zijn opgenomen.

3.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld en dat hij niet in staat is tot het verrichten van de geselecteerde functies.

4.

De Raad is, evenals in zijn in 1.4 genoemde uitspraak van 22 juli 2011, van oordeel dat ook in deze zaak doorslaggevende betekenis toekomt aan het rapport van bezwaarverzekeringsarts Waasdorp, die appellant, anders dan verzekeringsarts Van der Boog, zelf heeft onderzocht. Uit het rapport van Van der Boog van 5 januari 2011 blijkt niet dat zijn bevindingen betrekking hebben op de gezondheidssituatie van appellant in oktober 2010. Appellant heeft de bevindingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts slechts in algemene termen bestreden en heeft geen twijfel gezaaid aan de deugdelijkheid van de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel het medisch als arbeidskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij hecht de Raad in het bijzonder betekenis aan het gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts zijn bevindingen en conclusie, net als in de eerdere procedures het geval was, mede heeft gebaseerd op door hem ingewonnen informatie van de artsen waarbij appellant in behandeling is.

5.

Gelet op hetgeen in 4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) S. Aaliouli

EW