Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
11-5314 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen verkorte wachttijd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het tot de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts behoort om de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid vast te stellen en dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder in het bijzonder de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding bestaat om het Uwv niet te volgen in het standpunt dat ten aanzien van werknemer geen sprake is van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarbij verbetering van zijn belastbaarheid volledig is uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/34

Uitspraak

11/5314 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

3 augustus 2011, 10/2080 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.] gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 december 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.M. Roels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2013. Voor appellante is verschenen mr. Roels. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.J.S. van Daatselaar.

OVERWEGINGEN

1.1. De heer [naam werknemer] (werknemer) was werkzaam als hoofd positioners/orthodontisch technicus in dienst van appellante, toen hij op 11 december 2008 uitviel wegens diverse lichamelijke klachten. Bij een op 6 januari 2010 gedagtekend formulier heeft hij verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd werknemer in aanmerking te brengen voor de verzochte uitkering. Daarbij is overwogen dat voor de Wet WIA normaal gesproken een wachttijd geldt van 104 weken en, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts van 1 maart 2010, dat verkorting van deze wachttijd in het geval van werknemer niet mogelijk is.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 3 maart 2010 bezwaar gemaakt. Uit het bezwaarschrift komt naar voren dat werknemer volgens appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat, volgens ontvangen informatie van de bedrijfsarts, de klachten van werknemer in de toekomst alleen maar zullen toenemen.

1.4. Bij besluit van 16 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat volgens de bezwaarverzekeringsarts geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor het bestaan van een andere problematiek bij werknemer dan door de verzekeringsarts is onderkend en meegewogen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat sprake is van een meer dan marginale belastbaarheid, terwijl daarnaast blijkt dat sprake is van mogelijkheden voor behandeling waardoor verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. Na weergave van het relevante wettelijke kader, heeft de rechtbank overwogen dat appellante heeft betoogd dat het Uwv het onjuiste criterium wat betreft de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid heeft gehanteerd. Het criterium voor duurzaam is volgens appellante een medisch stabiele of verslechterende situatie, dan wel een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De - in het bestreden besluit

gevolgde - overweging van de bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid waarbij verbetering van de belastbaarheid volledig is uitgesloten, is volgens appellante een te streng criterium.

2.3. Met betrekking tot evenvermelde beroepsgrond heeft de rechtbank overwogen dat de wetgever in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA, door te verwijzen naar artikel 4, tweede lid, van de wet, ervoor heeft gekozen om de verkorte wachttijd als bedoeld in het zesde lid alleen toe te staan in het geval van een medisch stabiele of verslechterende situatie en niet voor de situatie als beschreven in het derde lid van artikel 4 van de Wet WIA. In de tekst van de wet, noch in de toelichting daarop, zijn naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten te vinden voor een ruimere toepassing van de verwijzing in artikel 23, zesde lid, naar artikel 4, van de Wet WIA zoals appellante kennelijk voorstaat.

2.4. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat werknemer slechts een vervroegd recht heeft op een IVA-uitkering, als ten tijde van de beoordeling blijkt dat herstel is uitgesloten.

2.5. Voorts heeft de rechtbank zich op grond van de beschikbare medische gegevens, waarvan in het bijzonder de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, kunnen vinden in het standpunt van het Uwv dat in het geval van werknemer geen sprake is van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarbij verbetering van de belastbaarheid volledig is uitgesloten. Daarbij heeft de rechtbank vooral laten wegen dat volgens de verzekeringsartsen nog geen sprake was van een uitbehandelde situatie. Dat (een deel van) de medische problematiek van werknemer sinds langere tijd aanwezig is geweest, doet naar het oordeel van de rechtbank evenmin af aan de conclusie dat er (nog) geen sprake was van een uitbehandelde situatie.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat het Uwv en de rechtbank van een onjuist, althans een onvoldoende houvast biedend, criterium zijn uitgegaan bij de beantwoording van de vraag of iemand in aanmerking komt voor toekenning van een

IVA-uitkering met een verkorte wachttijd. Voldoende voor toepassing van de verkorte wachttijd is volgens appellante - zakelijk weergegeven - dat bij de werknemer geen relevante verbetering van zijn belastbaarheid valt te verwachten, althans niet gedurende de periode waarin op de werkgever verplichtingen rusten tot loondoorbetaling en re-integratie.

3.2. Ten onrechte is volgens appellante door de verzekeringsartsen van het Uwv volstaan met het benadrukken dat er voor werknemer nog verschillende behandelopties vallen aan te wijzen, zonder daarbij aan te geven of deze behandelingsmogelijkheden ook tot relevante toename van de belastbaarheid zullen (kunnen) leiden.

3.3. Volgens appellante mocht, gezien de meervoudige ernstige medische problematiek van werknemer, daarbij in het bijzonder nog mede gelet op de lange duur daarvan, een relevante verbetering van zijn belastbaarheid niet worden verwacht.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad dat hij zich inmiddels, na het wijzen van de aangevallen uitspraak door de rechtbank en na het instellen van hoger beroep door appellante, in verschillende uitspraken heeft uitgelaten over de bij toepassing van de verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA aan te leggen beoordelingsmaatstaf.

4.3. In zijn uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2014, heeft de Raad overwogen dat het uitgangspunt dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd, tot uitdrukking is gebracht door in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA uitdrukkelijk slechts te verwijzen naar het tweede lid van artikel 4 en niet ook naar het derde lid of naar artikel 4, zonder verdere beperking. Dit betekent dat het Uwv in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan dan ook geen sprake zijn van een toekenning van een verkorte wachttijd. De systematiek van de Wet WIA brengt dan tevens mee dat de beoordeling of een verkorte wachttijd aan de orde is, geschiedt op basis van een strikter criterium dan aan de orde is in geval de volledige wachttijd van 104 weken is verstreken.

4.4. Onder verwijzing naar wat de gemachtigde van appellante daarover naar voren heeft gebracht, voegt de Raad daaraan toe dat, naar ook is overwogen in zijn uitspraak van

30 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4819, het niet gaat om de vraag of herstel van de medische aandoening als zodanig is uitgesloten, maar om de vraag of - naar medisch

oordeel - de betreffende aandoening(en) een zodanig verloop kan (kunnen) hebben dat herstel van de belastbaarheid is uitgesloten.

4.5. Gelet op rechtsoverweging 4.3 en 4.4 moet worden vastgesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak de aan te leggen beoordelingsmaatstaf niet onjuist heeft weergegeven en dat appellante, voor zover zij een ruimere of andersoortige maatstaf voorstaat, daarin niet kan worden gevolgd.

4.6. Voor zover appellante wil betogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv zich ten onrechte hebben beperkt tot een beoordeling van de vraag of herstel van de aandoeningen van werknemer was uitgesloten en hebben verzuimd om - tevens - te beoordelen of herstel van zijn belastbaarheid al dan niet was uitgesloten, kan appellante, gelet op wat hierna onder rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 wordt overwogen ten aanzien van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en verzekeringsgeneeskundige weging, ook daarin niet worden gevolgd. Uit genoemde rechtsoverwegingen blijkt immers dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts wel degelijk hebben beoordeeld of herstel van de belastbaarheid van werknemer, gelet op het gehele medische beeld en op de voor hem voorziene behandelopties, mogelijk is te achten.

4.7. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 1 maart 2010 komt naar voren dat werknemer bekend is met Diabetes Mellitus (DM), type 2, hypertensie, hoog cholesterol, polyneuropathie aan handen en voeten en lichte retinopathie. Voorts is sprake van een Carpaal Tunnelsyndroom (CTS) en van rugklachten. Werknemer is onder behandeling bij een vaatchirurg, een internist, een plastisch chirurg en een handtherapeut. De DM is niet goed gereguleerd, maar er is enige verbetering mogelijk in de instelling van de insulinedosering. Voor de fors beperkte handfunctie van werknemer wordt operatief ingrijpen overwogen, hetgeen de handfunctie gunstig zal kunnen beïnvloeden. Ten aanzien van de rugklachten geldt dat werknemer geleidelijk wordt ingesteld op zo goed mogelijke pijnstilling. Al met al is volgens de verzekeringsarts geen sprake van een uitbehandelde situatie en is verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten.

4.8. De bezwaarverzekeringsarts, die nog kennis heeft genomen van informatie van de behandelend internist van werknemer, heeft zich met de conclusies van de verzekeringsarts kunnen verenigen. De bezwaarverzekeringsarts wijst erop dat uit de aanwezige informatie valt af te leiden dat bij werknemer sprake is van een meer dan marginale belastbaarheid en acht, gelet op de aanwezige behandelopties ten aanzien van zowel de DM, het CTS als de rugklachten, (verdere) verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten.

4.9. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het tot de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts behoort om de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid vast te stellen en dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder in het bijzonder de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding bestaat om het Uwv niet te volgen in het standpunt dat ten aanzien van werknemer geen sprake is van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarbij verbetering van zijn belastbaarheid volledig is uitgesloten. Er is in hoger beroep niet kunnen blijken van aanknopingspunten om daarover in andere zin te oordelen. In het bijzonder geldt daarbij dat appellante, desgevraagd ter zitting, niet heeft kunnen aangeven waarop haar stelling berust dat de voor werknemer aangegeven drie behandelopties niet van invloed kunnen zijn op zijn functionaliteit en belastbaarheid.

4.10. De omstandigheid, ten slotte, dat werknemer per 9 december 2010, dus na ommekomst van de reguliere wachttijd van 104 weken, in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering leidt evenmin tot een ander oordeel. Ten eerste geldt daarbij dat de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid aan het einde van de wachttijd van 104 weken plaatsvindt op een andere grondslag, terwijl in de tweede plaats geldt dat het beoordelingsmoment verschilt: in het onderhavige geval gaat het immers om de aanspraak van werknemer per 17 maart 2010, de datum gelegen tien weken na de aanvraag van werknemer op 6 januari 2010.

4.11. Uit rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en H.C.P. Venema en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

JvC