Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
13-1226 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om appellant met ingang van de datum van indiensttreding in te delen in schaal 7, trede 6. Het verzoek strekt er toe dat de korpschef met toepassing van artikel 4:6 van de Awb terugkomt van de in rechte onaantastbaar geworden inschaling in schaal 7, trede 3. Duuraanspraak. 1) Periode vanaf het verzoek. De korpschef heeft appellant op juiste wijze ingeschaald en er bestaat geen grond voor een hogere inschaling voor de periode vanaf het verzoek. 2) Niet valt in te zien dat de korpschef in het door appellant aangevoerde nieuwe feit - de wijziging van de inschaling op het gespreksformulier zonder medeweten van appellant - aanleiding had behoren te vinden om voor de periode voorafgaand aan het verzoek terug te komen van de inschaling in schaal 7, trede 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1226 AW

Datum uitspraak: 5 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van
24 januari 2013, 12/1098 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie, thans de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

In verband met de invoering van de Politiewet 2012 per 1 januari 2013 is, in zaken zoals deze, de korpschef als bevoegd gezag in de plaats getreden van de Minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in diens hoedanigheid van beheerder van het voormalige Korps landelijke politiediensten (Klpd). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de minister verstaan.


Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M.G. Kho.


OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft de korpschef appellant met ingang van 14 augustus 2009 bevorderd en verplaatst naar de functie van allround politiemedewerker bij het Klpd, Dienst Spoorwegpolitie, Unit Noordoost. Daarbij is appellant ingeschaald in schaal 7,

trede 3 van het Besluit bezoldiging politie.

1.2.

De salariëring heeft vervolgens conform deze inschaling plaatsgevonden.

1.3.

Bij brief van 9 juli 2010 heeft appellant de korpschef, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de rechtspraak van de Raad over duuraanspraken, verzocht om hem met ingang van de datum van indiensttreding in te delen in schaal 7, trede 6 (in verband met de invoering van het nieuwe loongebouw is trede 4 per

1 maart 2010 geconverteerd in trede 6). Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat tijdens het aan de bevordering voorafgaande rechtspositiegesprek op 7 augustus 2009 inschaling in schaal 7, trede 4 is overeengekomen, zoals blijkt uit het formulier ‘rechtspositiegesprek verplaatsing’ (gespreksformulier), en dat die inschaling op het gespreksformulier nadien zonder medeweten van appellant is gewijzigd in schaal 7, trede 3. Die wijziging is volgens appellant een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

1.4.

Bij besluit van 2 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2011 (bestreden besluit), heeft de korpschef het verzoek afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Nu het verzoek ziet op het verleden en op het heden is de rechtspraak inzake duuraanspraken aan de orde. De toenmalige Personeelsmanagement Adviseur (PMA) heeft verklaard dat zij de dag na het rechtspositiegesprek contact heeft opgenomen met appellant met de mededeling dat abusievelijk een indeling in trede 4 in plaats van trede 3 heeft plaatsgevonden en dat appellant daarop vrij laconiek had gereageerd en begrip had getoond voor het misverstand. Het lijkt niet aannemelijk dat appellant het besluit van 19 augustus 2009 niet heeft ontvangen, maar appellant had de inschaling in schaal 7, trede 3 ook kunnen afleiden uit de salarisspecificaties. Vaststaat dat appellant in de inschaling heeft berust tot het moment van het verzoek. Nu geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden is het verzoek ten aanzien van het tijdvak voorafgaand aan het verzoek terecht afgewezen. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de toekomst zijn er geen aanknopingspunten om de inschaling te wijzigen in schaal 7, trede 6.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het verzoek van appellant aangemerkt als bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2009, het bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank het in 1.3 weergegeven verzoek van 9 juli 2010 ten onrechte heeft geconverteerd in een bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2009. Het verzoek strekt er immers toe dat de korpschef met toepassing van artikel 4:6 van de Awb terugkomt van de in rechte onaantastbaar geworden inschaling in schaal 7, trede 3. Die inschaling is in rechte onaantastbaar geworden, nu appellant tegen de eerstvolgende salarisspecificatie na de bevordering geen bezwaar heeft gemaakt. De Raad merkt daarbij op dat die inschaling niet reeds met het besluit van 19 augustus 2009 in rechte onaantastbaar is geworden, nu de korpschef niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat besluit destijds op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

3.2.

Appellant heeft ten aanzien van de inschaling, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij is tijdens het rechtspositiegesprek op 7 augustus 2009 met de PMA en het unithoofd overeengekomen dat hij zou worden ingeschaald in schaal 7, trede 4. Het gespreksformulier, waarop de inschaling is vermeld, is zowel door appellant als door de PMA en het unithoofd ondertekend. De korpschef is aan deze overeenkomst gebonden. Het gespreksformulier is nadien ten onrechte en zonder medeweten van appellant op een voor hem nadelige wijze gewijzigd. Er is geen sprake geweest van een fout, nu de korpschef bij een bevordering de bevoegdheid heeft om een hoger salaris toe te kennen dan het eersthogere salaris in de nieuwe schaal.

3.3.

In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:BD9150). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.4.

Met betrekking tot de periode vanaf het verzoek overweegt de Raad als volgt. Uit het gespreksformulier blijkt dat partijen destijds van de veronderstelling zijn uitgegaan dat appellant voorafgaand aan de bevordering een salaris genoot op basis van schaal 6, trede 5. Niet in geschil is dat die veronderstelling onjuist was en dat appellant in werkelijkheid een salaris genoot op basis van schaal 6, trede 4. Nu de inschaling voor de nieuwe functie op dit onjuiste gegeven is gebaseerd en appellant hiervan op de hoogte was dan wel had kunnen zijn, kan appellant aan de op het gespreksformulier vermelde inschaling in schaal 7, trede 4 geen aanspraak ontlenen. De in rechte onaantastbaar geworden inschaling in schaal 7, trede 3 is geschied met inachtneming van het uitgangspunt dat inschaling bij een bevordering in een hogere schaal plaatsvindt op basis van het eersthogere salaris ten opzichte van het tot dan toe genoten salaris. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die afwijking van dit uitgangspunt in zijn geval rechtvaardigen. De conclusie is dat de korpschef appellant op juiste wijze heeft ingeschaald en geen grond bestaat voor een hogere inschaling voor de periode vanaf het verzoek.

3.5.

Uit hetgeen in 3.4 is overwogen volgt tevens dat niet valt in te zien dat de korpschef in het door appellant aangevoerde nieuwe feit - de wijziging van de inschaling op het gespreksformulier zonder medeweten van appellant - aanleiding had behoren te vinden om voor de periode voorafgaand aan het verzoek terug te komen van de inschaling in schaal 7, trede 3.

3.6.

Uit 3.1 volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt met uitzondering van de bepaling over de heropening van het onderzoek in verband met het verzoek om schadevergoeding. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, gelet op wat onder 3.2 tot en met 3.5 is overwogen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

4.

Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand. Voorts bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat het griffierecht door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepaling over de heropening van het onderzoek in verband met het verzoek om schadevergoeding;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,- terugbetaalt;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en

B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD