Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
11-3516 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor woningaanpassing. Het toestemmingsvereiste biedt de mogelijkheid om in overeenstemming met de in artikel 4 van de Wmo besloten liggende compensatieplicht maatwerk te bieden. Dat de toepassing van deze bepaling er ook toe zou kunnen leiden dat in een concreet geval in strijd met artikel 4 van de Wmo toestemming wordt onthouden, kan echter niet betekenen dat deze bepaling als zodanig onverbindend zou zijn wegens strijd met artikel 4 van de Wmo. geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening in het concrete, individuele geval van betrokkene niet zou kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. Voor betrokkene waren adequate(re) woningen beschikbaar. Appellant heeft voldaan aan de compensatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3516 WMO

Datum uitspraak: 27 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

10 maart 2011, 10/2238 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.H. Theunissen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Broeren en N. Mulder. Namens betrokkene is verschenen mr. Theunissen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft op 18 augustus 2009 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag gedaan voor aanpassing van een nog te betrekken woning. Betrokkene heeft aangegeven met zijn gezin vanuit hun kleine woning in de gemeente Arnhem te willen verhuizen naar een grotere woning in de gemeente Lingewaard in verband met de geboorte van zijn tweeling. De aanvraag ziet op een schachtlift, drempelhulpen en een aanpassing van de badkamer en keuken. Op 28 september 2009 is betrokkene verhuisd.

1.2.

Bij besluit van 5 november 2009 heeft appellant aan betrokkene een tegemoetkoming van € 4.245,06 toegekend voor aanpassing van de badkamer en een drempelhulp bij de achterdeur. Voor het overige is de aanvraag afgewezen op de grond dat de door betrokkene verlaten woning adequaat was en verhuizing dus niet noodzakelijk was.

1.3.

Bij besluit van 4 mei 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar gegrond verklaard. Appellant stelt zich niet langer op het standpunt dat verhuizing niet noodzakelijk was. Echter ten tijde van de aankoop van de woning waren in de gemeente Lingewaard gelijkvloerse woningen te koop, zodat vaststaat dat betrokkene niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning. Omdat vrijwel nooit sprake is van een aangepaste keuken in te koop staande woningen wordt de keuken wel vergoed. De afwijzing van de schachtlift blijft echter in stand. Appellant heeft verwezen naar artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lingewaard 2006 (Verordening).

2.1.

Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat appellant in strijd met de compensatieplicht handelt door ongemotiveerd te stellen dat de beste optie voor betrokkene bestaat uit een gelijkvloerse woning, zonder daarbij rekening te houden met de behoeften van de betrokken individuen en de andere aspecten van de nieuwe woning en het wonen en leven in en om deze woning. Verder heeft betrokkene aangevoerd dat appellant niet heeft onderbouwd waarom de aangedragen gelijkvloerse woningen tegemoet zouden komen aan de specifieke behoeften van de betrokken individuen. De door appellant aangedragen woningen zijn niet adequater dan de door betrokkene aangekochte woning.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Voorts heeft de rechtbank het verzoek om vergoeding van schade afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening onverbindend is wegens strijd met de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo, waarmee de juridische grondslag aan het bestreden besluit komt te ontvallen. Nu de tekst van artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening toekenning van een woonvoorziening uitsluit in alle gevallen dat de belanghebbende is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning zonder dat daarvoor toestemming is verleend door appellant, worden hiermee ook gevallen uitgesloten waarin de noodzaak tot compensatie al wel is vastgesteld of nog kan worden vastgesteld.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Betrokkene heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 4 van de Wmo.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 20, aanhef en onder b, van de verordening wordt de aanvraag voor een woonvoorziening geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend door het college. Het college heeft in hoger beroep weersproken dat artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 4 van de Wmo. Het heeft daartoe aangevoerd dat juist door het in deze bepaling opgenomen toestemmingsvereiste geen afbreuk wordt gedaan aan de compensatieplicht. Dit betoog treft doel. Het toestemmingsvereiste biedt de mogelijkheid om in overeenstemming met de in artikel 4 van de Wmo besloten liggende compensatieplicht maatwerk te bieden. Dat de toepassing van deze bepaling er ook toe zou kunnen leiden dat in een concreet geval in strijd met artikel 4 van de Wmo toestemming wordt onthouden, kan echter niet betekenen dat deze bepaling als zodanig onverbindend zou zijn wegens strijd met artikel 4 van de Wmo. De aangevallen uitspraak komt, gelet hierop, voor vernietiging in aanmerking.

4.2.

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het beroep van betrokkene beoordelen. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening in het concrete, individuele geval van betrokkene niet zou kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. Naar het oordeel van de Raad staat voldoende vast dat ten tijde van de aanvraag voor betrokkene adequate(re) woningen beschikbaar waren. Niet kan worden ingezien waarom in het onderhavige geval niet van betrokkene verwacht mocht worden dat hij zou verhuizen naar de op dat moment beschikbare meest geschikte woning. Omdat ook in die woningen de keuken aangepast zou moeten worden, heeft appellant - naast een aanpassing van de badkamer en een drempelhulp - aan betrokkene een onderrijdbare keuken vergoed. Daarmee heeft appellant voldaan aan de compensatieplicht.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond moet worden verklaard.

5.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) S. Aaliouli

NK