Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
12-3017 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op de grond dat appellant niet beschikt over de juiste eigenschappen, mentaliteit en instelling die vereist zijn om zijn functie naar behoren uit te oefenen. De minister heeft aangetoond dat appellant de eigenschappen, mentaliteit en/of instelling mist die nodig zijn om zijn functie van adviseur op een goede wijze te vervullen. Dat de kwantiteit van het functioneren van appellant wel voldeed aan de eisen maakt dat niet anders. De minister heeft appellant voldoende duidelijk op zijn functioneren en gedrag aangesproken en hem voldoende verbeterkansen geboden. Appellant heeft deze verbeterkansen niet benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3017 AW

Datum uitspraak: 5 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 april 2012, 11/1097 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Minister van Economische Zaken (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.A.G. Meijer en ing. J. Koekoek.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was van 2001 tot augustus 2005 in Utrecht werkzaam bij SenterNovem, dat vanaf 1 januari 2010 is opgegaan in Agentschap NL, een uitvoeringsagentschap van het ministerie van Economische Zaken. Met ingang van 1 augustus 2005 is appellant overgeplaatst naar Zwolle in de functie van adviseur bij de afdeling Energie investeringsaftrek (EIA).

1.2. Over de jaren 2005 en 2006 is het functioneren op de onderdelen kwaliteit en kwantiteit en gedrag in de werksituatie als voldoende beoordeeld, met kanttekeningen over de manier van communiceren met leidinggevenden en collega’s. Vanaf april 2007 is appellant ongeveer een jaar met klachten van overwerktheid uitgevallen. In de beoordeling over het functioneren tot april 2007 is het gedrag van appellant in de werksituatie als onvoldoende beoordeeld, waarbij als voorbeeld is genoemd dat appellant bij de dossierbeoordeling recht in de leer is, weinig concessies wil doen en een strakke manier van communiceren heeft, wat bij onbekenden wat bot overkomt. Na een tweetal incidenten in de communicatieve sfeer heeft leidinggevende M appellant op 2 juni 2008 in een functioneringsgesprek meegedeeld dat dergelijke incidenten niet meer mogen voorkomen. Februari 2009 is weer een beoordeling vastgesteld. De kwaliteit van het functioneren van appellant schoot volgens deze beoordeling duidelijk tekort en het gedrag voldeed niet geheel aan de eisen. De punten waarop appellant zich op het gebied van kwaliteit en gedrag diende te verbeteren zijn aan de orde gesteld in een gesprek op 19 januari 2009 tussen appellant en zijn leidinggevenden M en K en vastgelegd in een gespreksverslag en een individueel werk- en ontwikkelplan.

1.3. Appellant heeft op 24 juni 2009 een schriftelijke waarschuwing gekregen omdat hij op

19 juni 2009 ongeoorloofd afwezig was en zich daardoor niet had gehouden aan de afspraken over zijn gedrag. Daarbij zijn passende maatregelen in het vooruitzicht gesteld voor het geval appellant zich opnieuw niet zou houden aan de gemaakte afspraken. Na een tussentijdse beoordeling in augustus 2009 is op 12 januari 2010 weer een beoordeling vastgesteld. De kwaliteit van het functioneren van appellant en zijn gedrag voldeden in beide gevallen wederom niet aan de gestelde eisen. Een drietal incidenten in de periode daarna was voor de minister aanleiding om appellant in een bij brief van 16 april 2010 bevestigd gesprek een formele waarschuwing te geven. Daarin is geconstateerd dat appellant ondanks de gemaakte en herhaalde afspraken zijn gedrag en werkwijze niet had verbeterd. Appellant is nog eenmaal de gelegenheid gegeven om zijn functioneren en gedrag structureel aan te passen en te verbeteren, onder de mededeling dat een volgend incident zal leiden tot ontslag.

1.4. Op 7 juni 2010 heeft appellant in verband met zijn verhuizing naar Amersfoort M gevraagd om een extra week verlof. Op 10 juni 2010 bleek dat appellant niet was verschenen op twee - voor hetzelfde tijdstip gemaakte - afspraken met klanten in Amersfoort en Raalte, waarvan één afspraak niet in zijn agenda stond. Eén afspraak is verzet; de andere is appellant later op de dag alsnog nagekomen.

1.6. De minister heeft appellant bij besluit van 18 juni 2010 met onmiddellijke ingang de toegang tot het kantoor van het Agentschap NL te Zwolle ontzegd. Bij besluit van 11 augustus 2010 heeft de minister appellant met ingang van 15 september 2010 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op de grond dat hij niet beschikt over de juiste eigenschappen, mentaliteit en instelling die vereist zijn om zijn functie naar behoren uit te oefenen.

1.7. Bij besluit van 24 februari 2011 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van 18 juni 2010 en van 11 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover daarbij het besluit van 18 juni 2010 tot ontzegging van de toegang is gehandhaafd, dat besluit in zoverre vernietigd, het besluit van 18 juni 2010 herroepen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit ongegrond is verklaard.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.2.

Vaststaat dat het functioneren van appellant vanaf 2007 in een viertal beoordelingen als onvoldoende is beoordeeld, driemaal op het onderdeel kwaliteit en viermaal op het onderdeel gedrag. Appellant heeft indertijd geen bezwaar gemaakt tegen deze beoordelingen. Zijn stelling dat onder die besluiten niet steeds een rechtsmiddelenclausule stond, heeft appellant er kennelijk niet toe gebracht alsnog bezwaar te maken, nog daargelaten dat die stelling wat betreft de laatste drie beoordelingen feitelijk onjuist is. Anders dan appellant heeft betoogd, kan de in een bijlage bij het beoordelingsformulier 2009/2010 opgenomen commentaar op de beoordeling niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Dit commentaar is immers al bijgevoegd voordat de beoordeling op 12 januari 2010 werd vastgesteld. De conclusie is dan ook dat de betreffende beoordelingsbesluiten in rechte vaststaan, zodat bij de beoordeling van het ontslagbesluit van de juistheid van de daarin gegeven oordelen over het functioneren van appellant moet worden uitgegaan.

4.3.

De bij de beoordelingen geconstateerde tekortkomingen in het functioneren van appellant hebben betrekking op de kwaliteit van de afhandeling van aanvragen en de wijze waarop appellant met collega’s en klanten communiceert. Appellant heeft in het bijzonder moeite om zich te houden aan afspraken, procedures en richtlijnen en zijn optreden wordt als solistisch omschreven.

4.4.

Gezien hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, wordt met de rechtbank geoordeeld dat de minister heeft aangetoond dat appellant de eigenschappen, mentaliteit en/of instelling mist die nodig zijn om zijn functie van adviseur op een goede wijze te vervullen. Dat de kwantiteit van het functioneren van appellant wel voldeed aan de eisen maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat appellant in 2005 en 2006 wel voldoende functioneerde. Hieruit volgt dat de minister bevoegd was om met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR tot ontslag van appellant over te gaan.

4.5.

Naar vaste rechtspraak (CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

4.6.

Hierover komt uit de gedingstukken naar voren dat appellant meerdere malen, onder meer in het kader van beoordelingsgesprekken en een functioneringsgesprek, is aangesproken op zijn functioneren. Daarbij is duidelijk benoemd op welke aspecten het functioneren van appellant tekortschoot. Appellant is herhaaldelijk, zowel mondeling als schriftelijk, te verstaan gegeven op welke punten hij zijn functioneren en gedrag moest verbeteren. Het verslag van 19 januari 2009 bevat concrete aanwijzingen die ook zonder nadere uitleg duidelijk zijn, zoals het zich houden aan de voorschriften rond verlofaanvragen en ziek- en hersteldmeldingen, het nakomen van contacten met externen en het niet laten beïnvloeden van zijn gedrag door emoties. Voor zover appellant behoefte had aan ondersteuning bij het werken aan de genoemde verbeterpunten, had hij daarom kunnen vragen, bijvoorbeeld in de vorm van een op effectief communiceren gerichte cursus. In de periode na februari 2009 hebben zich weer enkele incidenten voorgedaan, die zijn betrokken in de latere beoordelingen en hebben geleid tot schriftelijke waarschuwingen. Het standpunt van appellant dat het voorval op

10 juni 2010 hem erg zwaar is aangerekend wordt daarom niet gevolgd. Wel is dit voorval voor de minister de spreekwoordelijke laatste druppel geweest. De opvatting van appellant dat zijn manager verantwoordelijk was voor zijn agendabeheer gaat eraan voorbij dat appellant tijdens een verlofperiode zelf verantwoordelijk bleef voor het nakomen, verzetten of regelen van vervanging voor afspraken die hij had gemaakt met klanten.

4.7.

De conclusie is dat de minister appellant voldoende duidelijk op zijn functioneren en gedrag heeft aangesproken, hem voldoende verbeterkansen heeft geboden en dat appellant deze verbeterkansen niet heeft benut.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD