Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12-4833 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minder dan 45% arbeidsongeschikt. Pleegzorgvergoeding. Appellante heeft vanaf 1 juni 2011 geen recht op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat zij toen niet langer arbeidsongeschikt was en zij niet een ongehuwd kind had dat jonger dan 18 jaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4833 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 juli 2012, 12/86 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E. Hiehle hoger beroep ingesteld. Voorts is bij brief van

27 september 2013 nog een productie in het geding gebracht.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2013. Appellante is daarbij in persoon verschenen bijgestaan door mr. Hiehle, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. De Svb heeft na het overlijden van de echtgenoot van appellante op 22 oktober 2006 aan haar met ingang van oktober 2006 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Daarbij is de Svb er op grond van een advies van ClientFirst van 9 februari 2007 vanuit gegaan dat appellante voor meer dan 45% arbeidsongeschikt was. In dit advies van ClientFirst wordt geadviseerd appellante voorlopig arbeidsongeschikt te achten in de zin van de ANW en om in februari 2008 een heronderzoek te laten verrichten. Tevens is toen door de Svb aan appellante medegedeeld dat zij geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op de grond dat een (pleeg)kind jonger dan 18 jaar tot haar huishouden behoort, als zij geen recht heeft op kinderbijslag voor dat kind.

1.2. In februari 2011 heeft appellante telefonisch aan de Svb bericht dat zij voor 20 uur per week een baan had gevonden. De Svb heeft daarop besloten de arbeidsongeschiktheid van appellante te laten herbeoordelen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na onderzoeken door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv op 1 maart 2011 geadviseerd appellante voor minder dan 45% arbeidsongeschikt te beschouwen.

1.3. Bij besluit van 8 maart 2011, aangevuld bij brief van 22 april 2011, heeft de Svb de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering per 1 maart 2011 ingetrokken

1.4. Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit van 8 maart 2011 gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv twee rapporten uitgebracht.

1.5. Bij besluit van 4 januari 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. De Svb heeft de ingangsdatum van de intrekking van de nabestaandenuitkering nader vastgesteld op 1 juni 2011. Voorts is overwogen dat de Svb geen aanleiding heeft gevonden het rapport van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Ten slotte is nog overwogen dat appellante ook geen recht heeft op een nabestaandenuitkering wegens de verzorging van de tot haar huishouden behorende pleegkinderen die jonger dan 18 jaar zijn, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat deze kinderen als een eigen kind worden onderhouden, nu appellante een pleeggeldvergoeding ontvangt voor deze kinderen.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, ongegrond verklaard.

3.

Namens appellante is in hoger beroep allereerst aangevoerd dat zij arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 14, eerste lid, onder b, van de ANW en dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de verklaringen van de huisarts en de behandelend psycholoog en psychotherapeut. Verder is aangevoerd dat appellante wel voldoet aan het onderhoudsvereiste voor haar pleegkinderen en dus op die grond recht heeft op een nabestaandenuitkering. Ten slotte is gewezen op een onjuiste overweging van de rechtbank. Ter zitting is tevens een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellante vanaf 1 juni 2011 geen recht heeft op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat zij toen niet langer arbeidsongeschikt was en zij niet een ongehuwd kind had dat jonger dan 18 jaar was.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Dit

artikel luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2.

In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.4.

Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Terecht is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellante geldende beperkingen en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd heeft waarom het standpunt van de verzekeringsarts met betrekking tot de belastbaarheid van appellante kan worden gevolgd. De door appellante overgelegde verklaringen van haar huisarts en haar psycholoog zijn door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld en die heeft gemotiveerd toegelicht dat met de bevindingen van de behandelend sector al in voldoende mate is rekening gehouden in de FML.

4.5.

Nu uit het vorenstaande voortvloeit dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onder b, van de ANW, dient vervolgens beoordeeld te worden of zij op grond van het bepaalde onder a van dit artikellid recht heeft op een nabestaandenuitkering. Daarbij spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of appellante een pleegkind in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort als bedoeld in artikel 5 van de ANW. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de AKW en in artikel 1 van de Regeling gelijkstelling pleegkinderen kunnen de tot het huishouden van appellante behorende pleegkinderen als pleegkinderen in de zin van de AKW aangemerkt worden als appellante deze kinderen als eigen kind onderhoudt en opvoedt.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante voor ieder van haar pleegkinderen maandelijks een pleeggeldvergoeding ontvangt. Deze vergoeding verschilt per kind en bedraagt tussen de € 500,- en € 600,- per kind per maand. Zoals in het kader van de AKW al eerder is overwogen (ECLI:NL:CRVB:2009:BI3723) moet de vaststelling dat door appellante een van overheidswege verstrekte pleegzorgvergoeding wordt ontvangen, welke voor het onderhoud en de verzorging van de kinderen in beginsel kostendekkend wordt geacht, tot de conclusie leiden dat niet is voldaan aan het vereiste dat een kind als eigen kind wordt onderhouden. Dit oordeel wordt bevestigd in de Toelichting op de Regeling gelijkstelling pleegkinderen, waarin is vermeld dat van gelijkstelling met een pleegkind geen sprake kan zijn indien door derden in de kosten van dit kind wordt bijgedragen, bijvoorbeeld wanneer een pleeggeldvergoeding wordt verstrekt. Dit betekent dat appellante ook op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, van de ANW geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.

4.7.

Namens appellante is terecht opgemerkt dat de laatste volzin van rechtsoverweging 4.3 van de aangevallen uitspraak onjuist is. Deze omissie in de aangevallen uitspraak leidt echter niet tot vernietiging van die uitspraak, nu het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het als eigen kind onderhouden van de pleegkinderen door appellante overigens geheel juist is.

4.8.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen nu de namens haar gemaakte vergelijking van de situatie van appellante met die van een moeder met een eigen biologisch kind, niet een met een pleegkind vergelijkbare situatie betreft. Er is derhalve geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.9.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) Z. Karekezi.

RH