Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
12-3165 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Geen verlenging loondoorbetalingsverplichting omdat de werkgever voldoende aan de re-integratie heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3165 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
24 april 2012, 11/778 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 december 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Hofstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als timmerman en chauffeur bij [naam werkgever] (werkgever) te [vestigingsplaats]. Op 13 november 2008 is hij uitgevallen als gevolg van psychische klachten, deels gerelateerd aan zijn werksituatie.

1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv het door de werkgever overgelegde re-integratieverslag beoordeeld. Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellant jegens zijn werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd tot

10 november 2011. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken omdat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen, nu hij - ook na de gelegenheid te hebben gekregen het verzuim te herstellen - zonder geldige reden heeft nagelaten een compleet

re-integratieverslag over te leggen. Bij het opleggen van de loonsanctie heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.3. Vervolgens heeft het Uwv, na een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever door een arbeidsdeskundige, bij besluit van 26 augustus 2010 aan de werkgever meegedeeld dat de tekortkoming is hersteld en dat de loonsanctie komt te vervallen. Aannemelijk is dat appellant van dit besluit geen kopie heeft ontvangen.

1.4. In het kader van de beoordeling van zijn WIA-aanvraag is appellant vervolgens op

31 augustus 2010 onderzocht door een verzekeringsarts, die heeft geconstateerd dat bij appellant sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. De in verband daarmee geldende beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 oktober 2010. Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige met gebruikmaking van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is berekend op minder dan 35%. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit van

19 oktober 2010 vastgesteld dat appellant met ingang van 11 november 2010 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Tevens is daarbij meegedeeld dat het

re-integratieverslag is beoordeeld en dat is geconcludeerd dat de werkgever voldoende aan de re-integratie heeft gedaan, zodat is besloten de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever niet te verlengen.

1.5. Bij besluit van 3 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, dat tijdig is ingesteld naar aanleiding van het besluit van 19 oktober 2010, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts met de aangepaste FML van 24 februari 2011 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 maart 2011, ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de weigering tot toekenning van een WIA-uitkering heeft de rechtbank de conclusies uit het rapport van de door haar als deskundige ingeschakelde psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman gevolgd en op basis daarvan geoordeeld dat het Uwv de beperkingen van appellant juist heeft vastgesteld. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de gedetailleerde beschrijvingen van de in de geduide functies optredende belastingen blijkt, dat deze belastingen de in de FML van 24 februari 2011 vastgelegde belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om aan appellant met ingang van 11 november 2010 een WIA-uitkering toe te kennen.

2.3. Met betrekking tot het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op het besluit om aan de werkgever geen loonsanctie op te leggen, heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding heeft het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige in twijfel te trekken, dat de werkgever een deugdelijke grond heeft aangegeven voor het ontbreken van enkele stukken in het re-integratieverslag. Inhoudelijk heeft de rechtbank overwogen dat het achteraf wellicht beter was geweest als de werkgever een andere insteek had gekozen voor zijn

re-integratie-inspanningen, maar dat het Uwv, gezien alle omstandigheden in dit specifieke geval, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen zoals deze zijn verricht. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft besloten tot herroeping van de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er voldoende reden is om de juistheid van het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige in twijfel te trekken, in welk verband hij verwijst naar de door hem overgelegde informatie van de behandelend psychiater E. van Altena. De biografie en de sociale anamnese bieden volgens appellant voldoende aanwijzingen om disfunctioneren vanaf de adolescentie in verschillende contexten aan te nemen. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn ernstig trillende handen, waardoor functies met fijn motorische arbeid niet kunnen worden geduid. Met betrekking tot het besluit van het Uwv om aan de werkgever geen loonsanctie op te leggen, stelt appellant zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van adequate re-integratie-inspanningen door zijn werkgever en dat uit de summiere wijze van verslaglegging niet kan worden geconcludeerd dat de werkgever voldoende inspanningen heeft geleverd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de aanspraak op een WIA-uitkering

4.1.

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 24 februari 2011 vastgelegde beperkingen voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Met betrekking tot de psychische klachten kent de Raad, evenals de rechtbank, doorslaggevende betekenis toe aan het op 13 januari 2012 uitgebrachte rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige psychiater/neuroloog Kemperman. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft kennisgenomen van de opvattingen van de behandelend psychiater Van Altena, zowel van de reeds in het dossier aanwezige brieven als van de reactie van Van Altena op de door de deskundige aan hem gerichte vragen. In de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van zijn behandelend psychiater wordt geen aanleiding gezien om van het deskundigenrapport af te wijken en kan evenmin steun worden gevonden voor het standpunt van appellant dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, omdat de daarin verwoorde opvatting reeds bekend was en is meegewogen door de deskundige. Wat betreft de door appellant aangevoerde grond dat zijn trillende handen voor een werkgever aanleiding zullen zijn om hem niet in dienst te nemen voor fijn motorische werkzaamheden is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 25 mei 2011 vermeld dat er geen sprake is van een constante tremor als gevolg van een specifieke ziekte-oorzaak, maar een min of meer fysiologische tremor die optreedt bij een overmaat aan spanningen. Hij heeft hierin geen aanleiding gezien appellant beperkt te achten ten aanzien van hand- en vingergebruik. Ook de deskundige heeft geen aanleiding gezien voor de trillende handen een beperking op te nemen, omdat psychiatrisch objectiveerbare beperkingen hiervoor niet konden worden vastgesteld. Hetgeen appellant hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.2.

Aan de schatting zijn de functies productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie

(SBC-code 111172), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en samensteller metaalwaren (SBC-code 264140) ten grondslag gelegd. Op grond van het geheel van voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, is voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies ook werkelijk geschikt zijn te achten voor appellant. Op het standpunt van appellant dat deze functies voor hem niet passend zijn, omdat zijn trillende handen ertoe leiden dat geen enkele werkgever hem in dienst zal nemen wanneer het gaat om fijn motorische arbeid, heeft de bezwaararbeidsdeskundige gereageerd met zijn rapport van 26 mei 2011. Omdat appellant voor fijn motorisch handelen niet beperkt is, kan het standpunt van appellant niet worden gevolgd. Op basis van de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 november 2010 terecht vastgesteld op minder dan 35%.

Met betrekking tot het besluit om geen loonsanctie op te leggen.

4.3.

Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep voorts in geschil of het Uwv terecht de re-integratie-inspanningen van de werkgever als voldoende heeft beoordeeld en daarom heeft besloten geen loonsanctie op te leggen.

4.4.

Het standpunt van het Uwv dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de arbeidsdeskundige van

26 augustus 2010 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 maart 2011. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige blijkt dat, nadat appellant op 13 november 2008 is uitgevallen, er als gevolg van een behandeling met medicatie per medio 2009 een meer stabiele situatie is ontstaan. Er is vastgesteld dat een terugkeer in het eigen werk niet meer haalbaar was en vervolgens is re-integratie in het tweede spoor opgestart. Appellant werd begeleid door een arbeidsdeskundige van een re-integratiebedrijf en volgde een cursus in de beveiliging. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft de inspanningen van de werkgever als voldoende beoordeeld, omdat uit de ontvangen informatie kan worden afgeleid dat de werkgever binnen de mogelijkheden van appellant adequaat heeft gehandeld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport vermeld dat de werkgever appellant voor zover mogelijk heeft begeleid in het tweede spoor. Omdat hiervoor een medische contra-indicatie bestond, kon de werkgever zich niet persoonlijk met dit traject bemoeien. De werkgever heeft daarom Prins Arbeidskundige Diensten ingeschakeld en zowel de kosten van dit traject als de opleiding van appellant tot beveiligingsmedewerker vergoed. Gelet op de destijds beschikbare informatie is de werkgever volgens de bezwaararbeidsdeskundige terecht meegegaan met de keuze van appellant. Geconcludeerd wordt dat re-integratie in het eerste spoor niet wenselijk/mogelijk werd geacht en dat de werkgever tijdig heeft meegewerkt aan re-integratie in het tweede spoor, zodat er geen reden is om aan de werkgever een loonsanctie op te leggen.

4.5.

De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Gelet op de psychische problematiek van appellant en op aanwijzing van de behandelend psychiater van appellant is contact tussen werkgever en appellant vermeden. Om toch invulling te geven aan zijn re-integratie heeft de werkgever het externe re-integratiebureau Prins ingeschakeld om appellant te begeleiden in het tweede spoor. Dat achteraf is gebleken dat beter had kunnen worden gekozen voor een ander traject dan het meegaan in de eigen keuze van appellant bij de opleiding tot beveiligingsmedewerker, doet er niet aan af dat de werkgever heeft voldaan aan zijn verplichting om voldoende re-integratie-inspanningen te leveren. Het Uwv heeft daarom terecht en op goede gronden besloten aan de werkgever geen loonsanctie op te leggen.

4.6.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) Ch. Van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Bary

ew