Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12-2141 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:710, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. Niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het Uwv er in de brief van 6 augustus 2009 ten onrechte vanuit is gegaan dat appellante vanaf 29 juni 2009 niet heeft gewerkt. Appellante wist dat deze aanname onjuist was en kon reeds daarom aan die brief niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het Uwv van terugvordering zou afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2141 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 maart 2012, 11/4607 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en enkele vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellante en mr. Visser zijn verschenen. Het Uwv, opgeroepen om ter zitting te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.J.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft appellante met ingang van 29 juni 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 17,94 per week. Bij besluit van 11 april 2011 heeft het Uwv die uitkering herzien met ingang van 29 juni 2009 en van appellante een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 29 juni 2009 tot en met 13 maart 2011 teruggevorderd van € 11.827,12. Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2011 gegrond verklaard, de uitkering herzien met ingang van 13 juli 2009 en de terugvordering nader vastgesteld op € 10.723,25. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante met ingang van 13 juli 2009 voor een wisselend aantal uren in dienst is getreden van Stichting Verpleeg- en Verzorgingshuis[naam werkgever 2] te [vestigingsplaats] (werkgever 2) zonder dit te hebben gemeld aan het Uwv.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dat de terugvordering betrof. Appellante heeft daarbij aangevoerd dat zij het Uwv tijdig heeft geïnformeerd over haar indiensttreding bij werkgever 2 en in dat licht bezien aan een brief van het Uwv aan haar van 6 augustus 2009 het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de onverschuldigd betaalde uitkering niet van haar zou worden teruggevorderd.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.

3.

Appellante heeft in hoger beroep haar beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is het antwoord op de vraag of appellante aan een brief van het Uwv van

6 augustus 2009 het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het Uwv zou afzien van terugvordering. In dat verband zijn de volgende feiten van belang.

4.2.1.

Appellante heeft op het aanvraagformulier van de WW-uitkering ingevuld dat zij vanaf 17 juni 2008 heeft gewerkt in dienst van [naam werkgever 1] (werkgever 1) en dat haar contract met ingang van 29 juni 2009 is geëindigd. Dit laatste vindt bevestiging in een brief van werkgever 1 aan appellante van 29 mei 2009, waarin hij haar heeft bevestigd dat het tussen hem en appellante bestaande dienstverband van rechtswege afloopt op 29 juni 2009 en dat hij, zoals met appellante is besproken, de arbeidsovereenkomst met ingang van die datum als beëindigd beschouwt.

4.2.2.

Appellante heeft op 2 augustus 2009 een zogenoemd Inkomstenformulier WW opgestuurd naar het Uwv. Hierop heeft zij ingevuld dat zij van maandag 6 juli 2009 tot en met woensdag 29 juli 2009 steeds drie uur per dag heeft gewerkt en dat 29 juli 2009 het einde van haar dienstverband was. Na ontvangst van dit formulier heeft een medewerkster van het Uwv telefonisch contact opgenomen met appellante. Uit het van dit telefoongesprek opgemaakte verslag blijkt dat appellante toen heeft gezegd dat zij zich bij het invullen van het Inkomstenformulier heeft vergist en dat de daarop ingevulde uren de maand juni 2009 betroffen. Vervolgens heeft het Uwv appellante op 6 augustus 2009 een brief gestuurd. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“Op 5 augustus 2009 hebben wij uw Inkomstenformulier WW van 6 juli 2009 tot en met 2 augustus 2009 ontvangen. Wij hebben hier telefonisch over gesproken op

6 augustus 2009. Wij hebben de periode zonder gewerkte uren uitbetaald. U heeft vanaf 29 juni 2009 niet gewerkt.

Wat betekent dit voor U?

U krijgt voortaan geen Inkomstenformulieren meer. Uw WW-uitkering wordt vanaf

3 augustus 2009 automatisch een keer per 4 weken op uw rekening gestort.

Verandert er iets in uw situatie? Dan moet u dat nog steeds meteen doorgeven via het Wijzigingsformulier WW. Het kan zijn dat u vanaf dat moment opnieuw Inkomstenformulieren moet gaan invullen.”

4.2.3.

Op 16 maart 2011 is uit gegevens van SUWINET gebleken dat appellante met ingang van 13 juli 2009 werkzaam was bij werkgever 2. Werkgever 2 is hierop benaderd met het verzoek om informatie. Op 28 maart 2011 heeft werkgever 2 bevestigd dat appellante vanaf 13 juli 2009 bij hem in dienst was voor een wisselend aantal uren en heeft hij opgave gedaan van de door appellante gewerkte uren tot en met week 12 van 2011. Hierop zijn het besluit van 11 april 2011 en het bestreden besluit gevolgd.

4.3.1.

Appellante heeft ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat zij haar indiensttreding bij werkgever 2 direct nadat zij door werkgever 2 was aangenomen heeft gemeld aan

M. Starcevic van het Uwv, die ook bemiddeld zou hebben bij het verkrijgen van het dienstverband. Deze stelling vindt geen steun in de stukken en kan daarom niet slagen. Wel is gebleken dat appellante het dienstverband met werkgever 2 heeft gemeld aan de gemeente Breda, van wie zij een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand ontving, maar die melding kan niet worden gezien als een melding aan het Uwv op grond van artikel 25 van de WW. Appellante heeft ook nog gesteld dat zij met werkgever 2 een dienstverband had voor negen uur per week en dat er dus geen sprake is geweest van een wijziging die zij had moeten opgeven aan het Uwv. Uit de urenopgave van werkgever 2 blijkt echter dat appellante een wisselend aantal uren per week heeft gewerkt. Appellante had daarvan opgave moeten doen op het Inkomstenformulier, zoals haar was meegedeeld in de brief van 6 augustus 2009.

4.3.2.

Appellante heeft ter zitting verder betoogd dat zij tot en met 29 juli 2009 bij werkgever 1 heeft gewerkt en pas na ontvangst van de brief van het Uwv van 6 augustus 2009 is begonnen bij werkgever 2. Ook dit betoog kan niet slagen, nu de gegevens in het dossier er eenduidig op wijzen dat appellante met ingang van 29 juni 2009 werkloos is geworden uit haar dienstbetrekking met werkgever 1 en met ingang van 13 juli 2009 bij werkgever 2 is gaan werken. Dat, zoals appellante heeft gesteld, het Uwv ten tijde van het schrijven van de brief van 6 augustus 2009 op de hoogte was van haar situatie en dat daarin sindsdien geen wijziging is opgetreden wordt dan ook niet onderschreven.

4.3.3.

In het licht van het voorgaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het Uwv er in de brief van 6 augustus 2009 ten onrechte vanuit is gegaan dat appellante vanaf

29 juni 2009 niet heeft gewerkt. Appellante wist dat deze aanname onjuist was en kon reeds daarom aan die brief niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het Uwv van terugvordering zou afzien.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit leidt tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) G.J. van Gendt

QH