Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12-761 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekte of gebrek. Verslaving. Sociale problemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/65

Uitspraak

12/761 ZW

Datum uitspraak: 4 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ̕s-Gravenhage van

21 december 2011, 10/9127 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.R. van der Plas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R. Charité, kantoorgenoot van mr. Van der Plas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als barbediende/bedrijfsleidster voor 38 uur per week. Op 18 september 2007 is appellante uitgevallen na huiselijk geweld met lichamelijk en later ook psychisch letsel. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 15 september 2009 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellante werd daarbij ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie, maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen

- neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2009 - onder meer de functies van productiemedewerker voedingsmiddelen, archiefmedewerker en schadecorrespondent te verrichten. Tegen het besluit van 28 juli 2009 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Appellante heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving op 8 maart 2010 ziek gemeld met onder meer toenemende psychische klachten en rugklachten. In verband hiermee is zij op 7 juni 2010 en 7 oktober 2010 op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest, die haar, mede op basis van de informatie van de behandelend psychiater van 4 augustus 2010, per 7 oktober 2010 geschikt heeft geacht voor tenminste één van de eerder geduide functies. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 7 oktober 2010 vastgesteld dat appellante per 7 oktober 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 9 november 2010 - bij besluit van 12 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - na inschakeling van de deskundige psychiater drs. B.H.M.J. Sonnenschein - het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat, nu Sonnenschein zich kon vinden in de eerder in het kader van de

WIA-beoordeling opgestelde FML en hij appellante theoretisch in staat heeft geacht om arbeid te verrichten, appellante geschikt te achten is om op de datum in geding tenminste één van de functies te verrichten die voor haar in het kader van de WIA-beoordeling waren geselecteerd. De aantekening van de deskundige dat de sociale omstandigheden als gevolg van de verslavingsproblematiek van appellante het praktisch voor haar onmogelijk maakten om arbeid te verrichten, heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (LJN: BC1551 en LJN: BO6507) - geen reden gegeven om arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW aan te nemen nu in het geval van appellante niet gebleken is van uit de verslaving voortvloeiende gebreken dan wel een noodzaak tot een klinische opname of behandeling. Het feit dat de strafrechter appellante heeft veroordeeld voor een opiumdelict en haar tevens een behandeling bij GGZ verslavingszorg heeft opgelegd, gaf de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, nu van een feitelijke opname ten tijde van de datum in geding geen sprake was.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de vaste rechtspraak van de Raad. Onder verwijzing naar het rapport van

1 augustus 2011 van Sonnenschein stelt appellante dat zij door haar zwerfstatus onder invloed van alcohol, drugs en gerechtvaardigde angst voor haar ex-vriend niet in staat was om te werken. Een en ander vanwege een totaalgebrek aan persoonlijk en sociaal functioneren, aan het verdelen van aandacht en aandacht aan verschillende informatiebronnen, alsmede haar ondoelmatig handelen. Door uitsluitend waarde te hechten aan de omstandigheid dat er geen sprake is geweest van een klinische opname, terwijl vaststaat dat haar ontredderde situatie destijds aanleiding had moeten zijn voor klinische opname, geeft de rechtbank volgens appellante een te beperkte uitleg aan de vaste rechtspraak van de Raad.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd, is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Het Uwv heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de ontredderde situatie en de onmogelijkheid van appellante om te werken door de deskundige vooral is gebaseerd op de verslaving en de als gevolg daarvan ontstane problemen. Nu de verslaving op zich niet is aan te merken als ziekte of gebrek, zijn de sociale problemen die een gevolg zijn van de verslaving ook niet als zodanig aan te merken. Dat is slechts anders als de verslaving en de sociale gevolgen daarvan leiden tot objectieve medische beperkingen. Daarvan was bij appellante geen sprake. Haar vluchtgedrag werd veroorzaakt door een reële angst en hing niet samen met een psychiatrisch ziektebeeld. Deze angstgevoelens vormden dan ook geen beletsel voor het verrichten van arbeid. Verder was er bij appellante rond datum in geding geen sprake van een lopende behandeling. Appellante had deze zelf gestaakt en pas medio februari 2011, derhalve na datum in geding, is aan appellante in het kader van een strafzaak opgedragen zich opnieuw onder behandeling te stellen. Het Uwv heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellante per 7 oktober 2010 geen recht meer had op ziekengeld.

5.

Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Bary

ew