Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
11-4543 Wajong-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De conclusie van het Uwv dat appellant reeds op de dag na zijn 17e verjaardag, toen hij nog geen ingezetene was, als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet Wajong moet worden beschouwd, berust niet op een voldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4543 Wajong-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 juni 2011, 10/5856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Amrani, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amrani. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant, geboren op 15 oktober 1984, is in juli 2002 vanuit Rusland in Nederland komen wonen. Tijdens zijn studie kunstmatige intelligentie aan de Vrije Universiteit heeft hij op

25 april 2010 een aanvraag op grond van de Wet arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Bij besluit van 17 augustus 2010 is de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant op zijn 17e verjaardag niet in Nederland woonde. Het tegen het besluit van 17 augustus 2010 ingediende bezwaar is bij besluit van 26 oktober 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 25 oktober 2010 is in het bestreden besluit overwogen dat is vastgesteld dat appellant reeds voor zijn 17e verjaardag arbeidsbeperkingen had, ongeacht het feit dat deze pas naderhand tot uiting zijn gekomen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant op de dag aansluitend aan zijn 17e verjaardag geen ingezetene was en heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong geen recht heeft op een Wet Wajong-uitkering. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij, gelet op het bepaalde onder b van genoemd artikel 2:3, eerste lid, als studerende recht heeft op uitkering, heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van de hoorzitting en het rapport van het Centrum voor autisme Dr. Leo Kannerhuis (het Centrum) van 2 maart 2010 heeft geconcludeerd dat diagnostisch sprake is van kernautisme, vanaf de jeugd gepaard gaand met beperkingen in het sociaal functioneren, maar dat zijn stoornis door verschillende factoren pas later aan het licht is gekomen. De rechtbank heeft geen grond gezien te oordelen dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest en heeft zich verenigd met de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in ieder geval ten tijde van zijn aankomst in Nederland en ook tijdens de aanvang dan wel de eerste zes maanden van zijn studie arbeidsbeperkingen had, zodat ook geen aanspraak op uitkering bestaat op grond van de

b-grond. Gelet op dit oordeel heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om, zoals door appellant gevraagd, een deskundige te benoemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Het gaat er volgens appellant om wanneer de arbeidsbeperkingen zich manifesteren en daadwerkelijk zorgen voor de arbeidsongeschiktheid. De arbeidsongeschiktheid is weliswaar het gevolg van zijn autistisch syndroom, maar deze arbeidsongeschiktheid is niet altijd aanwezig geweest. Feit is dat de arbeidsongeschiktheid pas in Nederland op vijfentwintigjarige leeftijd is vastgesteld.

3.2.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv twee Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) opgesteld, geldend per 2001/2002, toen appellant 17 jaar was en per 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft in rapporten van 16 april 2013, 24 mei 2013 en, in reactie op hetgeen appellant nader heeft aangevoerd, in een rapport van 7 oktober 2013 nader toegelicht dat uit de rapportage van het Centrum van 2 maart 2010 aanwijzingen voor autisme zijn af te leiden, zoals ontwijkend oogcontact, verschijnselen van eenrichtingsverkeer in communicatie in de jeugd, moeite met overgangen en gevoeligheid voor prikkelrijke situaties. De bezwaararbeidskundige heeft in haar rapport van 11 juli 2013 toegelicht dat uit de opgestelde FML per 17e/18e levensjaar blijkt dat appellant al in zijn 17e levensjaar ernstige beperkingen heeft ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, hij beperkt is met betrekking tot zelfstandig handelen en niet in staat is handelingsvarianten of een alternatieve aanpak te bedenken in werk, waarbij het volgens de bezwaarverzekeringsarts gaat om structurele beperkingen in het zelfstandig handelen. Daarnaast is appellant sterk beperkt in het hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van zijn eigen gevoelens en is hij beperkt in omgaan met conflicten en samenwerken. Op basis daarvan heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat het werk zo georganiseerd moet worden dat appellant niet met andere mensen in aanraking komt en het werk volledig gestructureerd is, hetgeen niet in redelijkheid van een werkgever gevergd kan worden. Daarom acht de bezwaararbeidsdeskundige appellant al vanaf zijn 17e/18e levensjaar niet in staat om meer dan 75% van het maatmanloon te verdienen. In haar rapport van 10 oktober 2013 heeft de bezwaararbeidsdeskundige haar conclusies gehandhaafd, waarbij zij heeft toegelicht dat zij door het Claim beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies heeft onderzocht, maar geen enkele functie vanwege de beperkingen passend is.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Gelet op de standpunten van partijen, wordt dit geschil uitsluitend beheerst door het antwoord op de vraag of appellant reeds in zijn 17e levensjaar vanwege zijn nadien vastgestelde autistische stoornis dusdanige arbeidsbeperkingen had dat hij al voor hij ingezetene werd als jonggehandicapte moet worden beschouwd.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9173) is voor het toekennen van een uitkering als hier aan de orde niet beslissend of appellant op de dag waarop hij 17 jaar werd, aan een bepaalde diagnose leed, maar of de betreffende ziekte op die datum reeds zodanige arbeidsbeperkingen meebracht dat appellant hierdoor op die datum 75% of minder van het voor hem toen geldende minimumloon kon verdienen.

4.4.1.

Niet in geschil is dat appellant lijdt aan een autistische stoornis. Met betrekking tot het standpunt van het Uwv, dat die stoornis reeds in zijn 17e/18e jaar dusdanige arbeidsbeperkingen tot gevolg had dat appellant als jonggehandicapte moet worden beschouwd, wordt het volgende in aanmerking genomen.

4.4.2.

De verzekeringsgeneeskundige beoordeling is uitsluitend gebaseerd op het rapport van het Centrum van 2 maart 2010 en de hoorzitting in bezwaar, waar GZ-psycholoog Jansen als

medeopsteller van het rapport van 2 maart 2010 en de bezwaarverzekeringsarts aanwezig waren. Nader medisch onderzoek is niet verricht en nadere medische gegevens zijn niet ingewonnen. Op verzoek van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts alsnog een FML opgesteld, geldend op het 17e/18e jaar van appellant, waarbij met betrekking tot zelfstandig handelen is gescoord “beperktˮ, emotionele problemen van anderen hanteren “sterk beperkt” en de items eigen gevoelens uiten, samenwerken en omgaan met conflicten “beperkt”. Voorts is wel als conclusie in de FML vermeld: “de klant beschikt over duurzame benutbare mogelijkheden”. In het nader rapport van 7 oktober 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts bevestigd dat moet worden onderkend dat appellant per 15 oktober 2001 theoretisch over benutbare mogelijkheden beschikte.

4.4.3.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft op basis van de gestelde beperkingen geconcludeerd dat geen functies zijn te duiden. Allereerst moet worden gezegd dat in het arbeidskundig rapport van 11 juli 2013 gesteld wordt dat appellant sterk beperkt is in het persoonlijk en sociaal functioneren terwijl de FML slechts op één item die kwalificatie vermeldt. Voorts is de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige volgens haar rapport van 10 oktober 2013 gebaseerd op door haar nader op passendheid onderzochte, vanuit het CBBS voorgeselecteerde functies, zonder dat op enigerlei wijze inzichtelijk is gemaakt om welke functies het gaat en op welke grond vanuit de gestelde beperkingen alle functies als niet passend zijn aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk waarom appellant ongeschikt was voor solitaire functies met een afgebakende taak, nu hij op de items conflicten en samenwerken alleen “beperkt” is geacht.

4.4.4.

Dit alles klemt te meer nu appellant kennelijk in Rusland tot zijn komst naar Nederland zonder problemen zijn schooljaren heeft doorlopen en ook in Nederland de eerste twee jaren van zijn studie kunstmatige intelligentie zonder vertraging heeft gedaan terwijl geen informatie bekend is geworden dat zich daarbij wezenlijke, van belang te achten, beperkingen hebben gemanifesteerd.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.3 tot en met 4.4.4 is overwogen moet worden geoordeeld dat de conclusie van het Uwv dat appellant reeds op de dag na zijn 17e verjaardag, toen hij nog geen ingezetene was, als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet Wajong moet worden beschouwd, niet op een voldoende motivering berust.

4.6.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 26 oktober 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.P. Ketting

RH