Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
13-5511 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7436, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Kortsluiting. Herziening en terugvordering éénoudertoeslag. Omschrijving begrip partner. Er is een schriftelijke huurovereenkomst aanwezig, maar de feitelijke situatie wijkt zo zeer af van hetgeen daarin is vastgelegd dat zonder bijkomend overtuigend bewijs niet kan blijken dat betrokkene op zakelijke gronden een deel van de woning van verzoekster huurt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5511 WSF, 13/5512 WSF-VV

Datum uitspraak: 25 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. S.C. van Paridon, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2013, 13/5113 en 13/5721 (aangevallen uitspraak). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2013, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. A.F.M. den Hollander. Als tolk is verschenen A.J. Eloise.

De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1. Verzoekster ontvangt sinds 1 augustus 2010 studiefinanciering. Zij staat vanaf

7 maart 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres] te[woonplaats]. Op dit adres staat vanaf 22 maart 2012 tevens ingeschreven [M.]. Verzoekster heeft op 28 januari 2013 toeslag voor een éénoudergezin aangevraagd in verband met de geboorte van haar kind [in] 2013. Deze toeslag is haar toegekend met ingang van 1 februari 2013.

1.2. Bij besluit van 3 augustus 2013 heeft de Minister de aan verzoekster toegekende toeslag voor een éénoudergezin herzien en de uitbetaalde toeslag van haar teruggevorderd. Daartoe heeft de Minister erop gewezen dat uit een door hem verricht onderzoek is gebleken dat de man die op hetzelfde GBA-adres als verzoekster is ingeschreven zich op social media presenteert als haar partner.

1.3. Verzoekster heeft tegen het besluit van 3 augustus 2013 bezwaar gemaakt. Zij heeft het bestaan van een relatie tussen haar en haar huisgenoot ontkend. Naar zij meent heeft de Minister uit de beschikbare gegevens niet kunnen en mogen afleiden dat haar huisgenoot moet worden beschouwd als haar partner.

1.4. Bij besluit van 9 september 2013 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat [M.] valt onder het in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) opgenomen partnerbegrip.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat verzoekster ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Awir een partner heeft, zodat zij geen recht heeft op een toeslag voor een éénoudergezin.

3.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat de toekenning van de toeslag voor een éénoudergezin ten onrechte is herzien. Zij heeft in dit verband betoogd dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat zij een partner heeft. In hoger beroep heeft zij ten bewijze van de gestelde zakelijke verhouding met [M.] een huurovereenkomst overgelegd.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.1.2. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.1.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.3.1.

Op grond van artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt onder partner verstaan: de partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir.

4.3.2.

Op grond van het tweede lid, onder e, van artikel 3 van de Awir wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander.

4.4.1.

De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat is gebaseerd. De kennelijk met het oog op het tweede lid van artikel 3 van de Awir - eerst - in hoger beroep overgelegde huurovereenkomst leidt niet tot een ander oordeel.

4.4.2.

Artikel 3, tweede lid, onder e, van de Awir dient - zolang er bij ministeriële regeling geen nadere voorwaarden zijn gesteld - naar het oordeel van de voorzieningenrechter zo te worden begrepen dat het enkele bestaan van een huurovereenkomst onvoldoende is om aan te nemen dat een gedeelte van de woning op zakelijke gronden wordt verhuurd.

4.4.3.

Verzoekster bewoont een tweekamerwoning, bestaande uit een woonkamer en een slaapkamer. In de huurovereenkomst die verzoekster heeft overgelegd is in artikel 1, eerste lid, vermeld dat verzoekster de kamer aan de achterzijde van de woning verhuurt. Verzoekster heeft ter zitting bij de voorzieningenrechter echter verklaard dat dat de slaapkamer is waar zij met haar kind slaapt, en dat [M.] daar niet de beschikking over heeft. Verzoekster heeft verder verklaard dat [M.] onregelmatig op haar adres verblijft en dat hij dan de woonkamer van verzoekster gebruikt. Als hij op het adres overnacht, slaapt hij op de bank. [M.] heeft in het huis niet de beschikking over kastruimte; kleren en andere eigendommen bevinden zich in een koffer.

Op basis van deze gegevens kan worden vastgesteld dat er - op dit moment - een schriftelijke huurovereenkomst aanwezig is, maar ook dat de feitelijke situatie zo zeer afwijkt van hetgeen daarin is vastgelegd dat zonder bijkomend overtuigend bewijs niet kan blijken dat [M.] op zakelijke gronden een deel van de woning van verzoekster huurt. Ook de gegevens zoals die in eerdere stadia van deze procedure bekend zijn geworden met betrekking tot de relatie tussen verzoekster en [M.] wijzen - in ieder geval voor de periode hier in geding - op een andere dan een zakelijke relatie. Hierbij komt - zoals ook de Minister ter zitting heeft aangegeven - dat verhuur van een gedeelte van de woning ook niet voor de hand lag en ligt, nu uit de op de huurovereenkomst die verzoekster met Woonstad Rotterdam heeft afgesloten van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden blijkt dat (gehele of) gedeeltelijke onderverhuur zonder toestemming niet is toegestaan. Verzoekster heeft verklaard die toestemming niet te hebben gevraagd.

4.4.4.

Of er voorts - zonder meer - van kan worden uitgegaan dat de overgelegde overeenkomst reeds was gesloten ten tijde in dit geding van belang moet worden betwijfeld. Verzoekster heeft ter zitting bij de rechtbank desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat zij en [M.] - blijkbaar in ieder geval ten tijde van de behandeling van het verzoek ter zitting bij de rechtbank - niet een schriftelijke overeenkomst hadden. Dat verzoekster de vraag onjuist zou hebben beantwoord omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is, is niet gebleken. Voorafgaand aan de zitting heeft verzoekster niet gewezen op haar beperkte kennis van de Nederlandse taal. Ook haar gemachtigde heeft daarvoor geen aandacht gevraagd. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de gemachtigde op het taalprobleem heeft gewezen toen de rechtbank aan verzoekster vragen stelde. Anders dan verzoekster kennelijk meent kan uit geen enkel in het proces-verbaal opgenomen gegeven met betrekking tot deze zitting worden afgeleid dat verzoekster de vraag van de rechtbank anderszins niet heeft begrepen of dat zij deze vraag verkeerd heeft geïnterpreteerd. De weergave van het antwoord dat zij blijkens het proces-verbaal heeft gegeven moet, in combinatie met de stelling in hoger beroep dat verzoekster was vergeten dat zij - iets minder dan anderhalf jaar daarvoor - een schriftelijke huurovereenkomst had gesloten met [M.], wel leiden tot de conclusie dat zij (de strekking van) de gestelde vraag heeft begrepen.

Het ter ondersteuning van haar stelling in hoger beroep overgelegde afschrift van een intakeformulier van de Rechtswinkel, waaruit valt op te maken dat zij zich daar in mei 2012 met vragen over samenwonen en huren heeft gemeld en dat zij in diezelfde maand een voor haar opgestelde huurovereenkomst heeft afgehaald, geeft geen antwoord op de vraag of die overeenkomst ook daadwerkelijk toen is gesloten. De datering van de overeenkomst is, gelet op de (overige) gegevens en hetgeen is verklaard, bezien in onderling verband, onvoldoende om daarvan uit te gaan.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.4.1 tot en met 4.4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent tevens dat geen grond aanwezig is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

9 september 2013 ongegrond is verklaard;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) D.E.P.M. Bary

TM