Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
12-5127 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de eerder verleende ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Het college heeft in het kader van die individuele beoordeling zijn in beroep voortgezette besluitvorming op het advies van Pro Company mogen baseren. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Appellant kon aan het feit dat hij in het verleden telkens is ontheven van de arbeidsverplichtingen geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij permanent zou worden ontheven van die arbeidsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 december 2013

12/5127 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 januari 2012, 11/6662 (aangevallen tussenuitspraak) en van 8 augustus 2012, 11/6662 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M. Houweling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Houweling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Middel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren op [geboortedag] 1951, ontvangt sinds 1982 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 4 maart 1993, 29 maart 1993 en 10 juni 1993 heeft de psycholoog G.A.W. Bos (Bos) op verzoek van het college een psychologisch onderzoek verricht naar de arbeidsongeschiktheid van appellant. In zijn advies van 15 juni 1993 concludeert Bos, kort gezegd, dat appellant onder andere vanwege zijn persoonlijkheidsstructuur volledig arbeidsongeschikt is en aan hem de eerstkomende jaren geen sollicitatie-eisen kunnen worden gesteld. In de jaren daarna heeft het college nog een aantal keren advies gevraagd met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van appellant. Bos komt in een advies van 12 april 1994 wederom tot de conclusie dat appellant arbeidsongeschikt is en de keuringsarts

P.A.M. Marijnen (Marijnen) komt in zijn adviezen van 21 juni 1995 en 14 maart 1996 tot diezelfde conclusie. Deze adviezen zijn voor het college telkens aanleiding geweest appellant te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.

1.3.

Op 22 december 2010 heeft het college de GGD Zuid-Holland West gevraagd advies uit te brengen met betrekking tot de vraag of appellant in het kader van zijn arbeidsverplichtingen deel kan nemen aan een traject. Daarnaast heeft het college gevraagd wat de mogelijkheden van appellant zijn op het gebied van arbeidsverplichtingen. De GGD-arts E. Kuyken (Kuyken) komt in zijn advies van 21 januari 2011 tot de conclusie dat er geen duidelijke reden van medische aard aanwijsbaar is voor verminderde arbeidsgeschiktheid qua urenbelasting. Wel lijkt het hem gelet op het arbeidsverleden van appellant aangewezen om de re-integratie van appellant in fasen te laten verlopen. Appellant zou een traject ter verwerving van betaalde arbeid kunnen volgen, waarbij het aantal uren wordt opgebouwd volgens een bepaald schema. Een voorbeeldschema heeft de arts bijgevoegd.

1.4.

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het college appellant medegedeeld dat vanaf de dagtekening van het besluit voor hem de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB gelden.

1.5.

Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar bij het besluit van 11 juli 2011 (bestreden besluit) gegrond verklaard, in zoverre dat appellant bij werkaanvaarding drie maanden lang voor een halve week wordt ontheven van de arbeidsplicht als bedoeld in

artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB, waarna de ontheffing wordt verminderd tot een kwart van de werkweek gedurende de volgende drie maanden. Daarna wordt geen ontheffing meer verleend.

2.1.

In de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het advies van Kuyken onvoldoende is om het bestreden besluit te kunnen dragen. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het college in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te laten verrichten door een onafhankelijk psychologisch onderzoeksbureau en, met inachtneming van de onderzoeksresultaten, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.2.

Het college heeft naar aanleiding van de aangevallen tussenuitspraak Pro Company medische advisering (Pro Company) gevraagd om advies uit te brengen. Pro Company heeft op haar beurt het samenwerkingsverband voor psychiatrische expertise en rapportage (PSYON) gevraagd om appellant psychiatrisch te onderzoeken. R.L. Leta, psychiater van PSYON, heeft op 20 februari 2012 advies uitgebracht, waarna F. Veen, arts van Pro Company, in zijn advies aan het college van 24 februari 2012 als volgt heeft geconcludeerd:

Bij psychiatrisch onderzoek wordt geen psychiatrische diagnose gesteld volgens DSM-criteria;

Er is geen indicatie voor psychiatrische behandeling;

Er is geen psychiatrische ziekte die cliënt belemmert ten aanzien van de belastbaarheid voor reguliere arbeid op zijn opleidings- en ervaringsniveau;

Gelet op de lange periode waarin het aan werkritme heeft ontbroken wordt een gefaseerde terugkeer bij de re-integratie geadviseerd. In haar advies van 21-01-2011 heeft de arts van de GGD daarvoor een alleszins redelijk voorstel gedaan.

Het college heeft de rechtbank daarop bij brief van 7 maart 2012 medegedeeld dat hij gelet op dit advies geen aanleiding ziet een nieuw besluit te nemen.

2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

De mededeling van het college van 11 februari 2011, dat voor appellant de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB gelden, is een besluit tot intrekking van de eerder verleende ontheffing van die verplichtingen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 2 januari 2008,

ECLI:NL:CRvB:2008:BC1108) is bijstandverlening erop gericht om diegenen die daartoe in staat zijn, te stimuleren betaald werk te vinden en dat voor degenen die dat nog niet kunnen, wordt gezocht naar mogelijkheden hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Mede gelet op de opdracht aan het college tot afstemming van aan de bijstand verbonden verplichtingen, zal bij heronderzoeken periodiek bezien moeten worden of, en zo ja, in hoeverre er aanleiding is om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffing van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Een besluit om deze verplichtingen voorgoed niet aan een belanghebbende op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling in de arbeid, zou daarmee in strijd zijn.

4.4.

Appellant kon, gelet op wat in 4.3 is overwogen, aan het feit dat hij in het verleden telkens is ontheven van de arbeidsverplichtingen geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij permanent zou worden ontheven van die arbeidsverplichtingen. Hetzelfde geldt voor het feit dat Marijnen in zijn advies van 14 maart 1996 heeft geadviseerd dat een herbeoordeling pas geïndiceerd is als appellant zelf meldt arbeidsgeschikt te zijn. Het stond het college vrij om, zoals ter zitting is toegelicht, uitgaande van veranderde maatschappelijke inzichten sinds de inwerkingtreding van de WWB, bij de uitvoering van die wet meer de mogelijkheden dan de beperkingen van appellant centraal te stellen. De omstandigheid dat de medische beperkingen van appellant ten opzichte van de eerste rapportage door Bos wellicht niet zijn veranderd, betekent dus niet dat op grond daarvan automatisch opnieuw een ontheffing van de arbeidsverplichtingen moet volgen. Een individuele beoordeling, zoals door het college is uitgevoerd, was wel nodig.

4.5.

Het college heeft in het kader van die individuele beoordeling zijn in beroep voortgezette besluitvorming op het advies van Pro Company mogen baseren. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Een dergelijke omstandigheid is, anders dan appellant stelt, niet gelegen in het feit dat appellant bij afname van de Standardised Assessment of Personality - Abbreviated Scale (SAPAS) een 5 heeft gescoord. Die score impliceert niet dat appellant een persoonlijkheidsstoornis heeft. Een score van 3 of hoger op deze test is niet meer dan een aanwijzing voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis volgens DSM-IV. De psychiater van PSYON heeft gemotiveerd aangegeven waarom daarvan in het geval van appellant geen sprake is: het feit dat appellant “in staat is tot sociaal gedrag en een normale (non-verbale) communicatie, zoals valt op te maken uit zijn dagelijkse bezigheden en ook viel waar te nemen tijdens het onderzoek”, sluit een persoonlijkheidsstoornis uit.

4.6.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande op goede gronden overwogen dat het op de weg van appellant lag zijn stelling dat het advies van PSYON niet juist is te onderbouwen door middel van een eigen deskundigenrapportage. Anders dan appellant stelt, wordt dat niet anders omdat hij in de procedure bij de rechtbank niet werd bijstaan door een professionele gemachtigde en de rechtbank hem alleen heeft verzocht om op het advies van PSYON te reageren, zonder daarbij te wijzen op de mogelijkheid of de noodzaak een rapportage van een eigen deskundige in te dienen. Het is immers aan appellant zelf om zijn proceshouding te bepalen en daarbij al dan niet rechtskundige en/of deskundige hulp te zoeken; het is niet aan de rechtbank om hem daarin te adviseren.

4.7.

Appellant heeft in hoger beroep alsnog een psychiatrische expertise overgelegd, te weten van de psychiater A. Akdeniz van het Medisch Advies Loket. Die expertise vormt echter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het advies van Pro Company. Het Medisch Advies Loket komt in deze expertise immers tot dezelfde bevindingen als

Pro Company. Ook het Medisch Advies Loket concludeert dat appellant niet voldoet aan de criteria van een psychiatrische stoornis in engere zin volgens DSM-IV en ook het Medisch Advies Loket vindt aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, maar vindt in het kader van het verrichte onderzoek niet genoeg criteria om dit vast te stellen. Het Medisch Loket kan bovendien niet beoordelen of de klachten van appellant hem hinderen ten aanzien van de belastbaarheid voor reguliere arbeid.

4.8.

Appellant heeft tot slot gesteld dat in zijn geval dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen rechtvaardigen. Hij stelt dat zijn medische beperkingen zodanig zijn dat het opleggen van arbeidsverplichtingen tot onaanvaardbare gevolgen voor zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid zal leiden. Daarvan geven de stukken echter geen blijk. Uit de rapporten van

Pro Company en het Medisch Advies Loket blijkt juist dat er geen sprake is van objectiveerbare medische omstandigheden die ertoe zouden leiden dat appellant niet in staat is deel te nemen aan het arbeidsproces. Omdat van de door appellant gestelde nadelige gevolgen niet is gebleken, is van een onevenredigheid als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geen sprake.

4.9.

Gelet op wat onder 4.2 tot en met 4.8 is overwogen, slagen de gronden niet. De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

HD