Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
12-898 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 berust op onvoldoende feitelijke grondslag. Dit betekent dat het college niet bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. De Raad ziet aanleiding het primaire besluit te herroepen aangezien aan dat besluit hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek bij een nadere besluitvorming kan worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/68

Uitspraak

12/898 WWB

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 december 2011, 11/4665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het college nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, als opvolgend gemachtigde en

A. Yildirim als zijn tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Saygi.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellant ontving vanaf 23 februari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Na een signaal van de Belastingdienst heeft het college een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is het gegevensbestand van Suwinet geraadpleegd, zijn loongegevens opgevraagd en verkregen van [werkgever 1] alsmede de tussen appellant en [werkgever 2] voor de periode van

1 maart 2010 tot en met 31 augustus 2010 gesloten arbeidsovereenkomst met nulurengarantie en informatie over de wijze van betaling (per kas).

1.2.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 4 mei 2011 de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 ingetrokken. Daarbij heeft het college tevens de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.656,93 bruto van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 22 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet uit eigen beweging mededeling te doen van de inkomsten uit werkzaamheden in de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 bij werkgever [werkgever 2]. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant toen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft betwist dat hij inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor appellant belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

In gevallen waarin het college van de Belastingdienst informatie ontvangt over door een betrokkene genoten inkomsten uit arbeid, heeft het college naar vaste rechtspraak

(CRvB 7 april 2009, ECLI:NL:CRvB:2009:BI1928) in voldoende mate aan de onder 4.1 bedoelde onderzoeksplicht en bewijslast voldaan, indien de uit het onderzoek naar dat signaal van de werkgever en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verkregen gegevens de informatie van de Belastingdienst bevestigen. Daarbij is wel vereist dat de uit beide bronnen verkregen gegevens op relevante onderdelen, waaronder het burgerservicenummer van de betrokkene, de werkgever, de arbeidsverhouding en het loon van de betrokkene, met elkaar overeenstemmen.

4.3.

Indien aan de onder 4.2 vermelde vereisten is voldaan, kan hieraan de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt.

4.4.

Vastgesteld wordt dat in het geval van appellant niet aan de vereisten vermeld onder 4.2 is voldaan, omdat de gegevens van Suwinet over het aan appellant betaalde loon niet overeenkomen met de loonspecificaties die [werkgever 2] aan het college heeft verstrekt. Volgens de Suwinet-gegevens is aan appellant alleen over de maanden maart, april en juli 2010 loon betaald. Volgens de loonspecificaties heeft appellant ook in de maanden mei en juni 2010 loon ontvangen. Voorts komen de gegevens van Suwinet over de hoogte van het loon in de maanden maart en april 2010 niet overeen met de bedragen op de loonspecificaties over die maanden. De aantekeningen in de agenda van[werkgever 1], voor zover al leesbaar, zijn ontoereikend om op basis daarvan aan te nemen dat appellant getekend heeft voor de ontvangst van contant uitbetaald loon. Daarbij kan in het midden blijven of in die agenda de handtekening van appellant voorkomt en of, zoals[werkgever 1] heeft opgegeven, ook de echtgenote van appellant haar handtekening heeft gezet, terwijl zij volgens appellant in Turkije woont en nimmer in Nederland is geweest.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 juli 2010 op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Dit betekent eveneens dat het college niet bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding het primaire besluit te herroepen aangezien aan dat besluit hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek bij een nadere besluitvorming kan worden hersteld.

4.6.

Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade komt voor toewijzing in aanmerking in zoverre dat het college wettelijke rente dient te betalen voor zover de terugvordering reeds is geëffectueerd.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 2.832,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 4 mei 2011;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.832,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe zoals onder 4.6 is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) P.J.M. Crombach

HD