Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
12-3594 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. 1) Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen informatie te verstrekken over activiteiten in verband met autohandel. Autohandel is een activiteit die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar is. Door deze schending en het ontbreken van een financiële administratie inzake de aan- en verkoop van auto’s en de inkomsten daaruit kan het recht op bijstand van appellant van 1 juli 2007 tot en met 4 maart 2011 niet worden vastgesteld. Over de periode van januari tot 1 juli 2007 is geen sprake van schending inlichtingenverplichting. 2) Afwijzing aanvraag. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de feitelijke grondslag voor de afwijzing van de aanvraag om bijstand aan de besluitvorming komt te ontvallen. Appellant zal nog inzage moeten verlenen in zijn bankafschriften. De Raad draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit 1, voor zover dat ziet op de terugvordering, en op het bezwaar tegen het besluit 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3594 WWB-T

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

22 mei 2012, 12/129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.W. van der Zee, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, desgevraagd nadere stukken overgelegd en vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zee. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Bouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 11 januari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Vanaf 17 maart 2008, een maand na het overlijden van zijn partner op 16 februari 2008, ontving hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag, die was gehalveerd omdat hij de kosten van het bestaan met zijn drie (volwassen) inwonende kinderen kon delen.

1.2.

Naar aanleiding van een schriftelijke tip van 11 januari 2010 dat appellant handelt in auto’s heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord en Oost Groningen onderzoek ingesteld. In dat kader is informatie ingewonnen bij onder meer de Dienst Wegverkeer (RDW), Marktplaats en Bibit. Op 10 januari 2011 is appellant aangehouden en als verdachte verhoord. Zijn woning en de door appellant en zijn kinderen gebruikte garageboxen zijn vervolgens doorzocht. Daarbij zijn twaalf auto’s aangetroffen, waarvan de sleutels en kentekenbewijzen in het huis van appellant lagen. Voorts zijn in de woning diverse bescheiden aangetroffen, die te maken hebben met autohandel en zijn computers, mobiele telefoons en foto-/videocamera’s in beslag genomen en uitgelezen door medewerkers van de FIOD te Groningen. Daarnaast zijn 27 getuigen gehoord en zijn de kinderen van appellant verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een proces-verbaal van

4 maart 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

4 maart 2011 (besluit 1) de bijstand met ingang van 11 januari 2007 in te trekken en de over de periode van 11 januari 2007 tot en met 9 januari 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 50.249,21 van appellant terug te vorderen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de WWB niet is nagekomen door geen informatie te verstrekken over zijn activiteiten in verband met autohandel.

1.4.

Bij besluit van 2 mei 2011 (besluit 2) heeft het college een door appellant ingediende aanvraag om bijstand afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert omdat hij in auto’s handelt. Het college heeft het vanaf 1 april 2011 verstrekte voorschot van € 786,- van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 17 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij vóór het overlijden van zijn echtgenote en daarna tot en met 2009 enkel hobbymatig aan auto’s sleutelde. Dit zou ook blijken uit de RDW-gegevens.

4.2.

Uit het proces-verbaal van 4 maart 2011 en de bijlagen, in het bijzonder de verklaringen van appellant en zijn kinderen en de gegevens van de RDW, Marktplaats en Bibit, valt af te leiden dat appellant vanaf juli 2007 bij autohandel betrokken was. Gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat in het half jaar daaraan voorafgaand van autohandel sprake was, heeft de Raad niet aangetroffen. Vanaf juli 2007 zijn via Marktplaats 46 advertenties geplaatst, waarin auto’s te koop werden aangeboden door [L.]onder vermelding van een mobiel nummer dat aan appellant toebehoorde. Appellant heeft verklaard dat hij de telefoon opnam met[L.]. Uit informatie van Bibit en bankafschriften van appellant is gebleken dat de kosten van de auto-advertenties via vier verschillende rekeningnummers zijn betaald, waarvan er twee op naam van appellant stonden. Uit verklaringen van appellant, zijn kinderen en getuigen blijkt dat appellant niet alleen betrokken was bij het sleutelen aan auto’s, maar ook bij de verkoop van auto’s. Dat appellant, naar hij stelt, dit deed ten behoeve van zijn zoons die overdag werkten, maakt dit niet anders. Autohandel is een activiteit die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar is. Het niet melden van (betrokkenheid bij) autohandel vanaf juli 2007 leidt dan ook tot schending van de inlichtingenverplichting.

Door deze schending en het ontbreken van een financiële administratie inzake de aan- en verkoop van auto’s en de inkomsten daaruit kan het recht op bijstand van appellant van 1 juli 2007 tot en met 4 maart 2011 niet worden vastgesteld.

4.3.

Het overwogene in 4.2 leidt tot de conclusie dat appellant eerst vanaf 1 juli 2007 de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het college niet bevoegd was om de bijstand met ingang van 11 januari 2007 in te trekken en de kosten van de over de periode van

11 januari 2007 tot 1 juli 2007 verleende bijstand van appellant terug te vorderen.

De afwijzing van de aanvraag

4.4.

De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de feitelijke grondslag voor de afwijzing van de aanvraag om bijstand aan de besluitvorming komt te ontvallen, zodat appellant in beginsel in aanmerking zou kunnen komen voor bijstand met ingang van 5 maart 2011. Daartoe zal appellant nog inzage moeten verlenen in zijn bankafschriften.

4.5.

De rechtbank heeft hetgeen hiervoor in 4.3 en 4.4 is overwogen niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

4.6.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Aanleiding bestaat om besluit 1 te herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 11 januari 2007 tot 1 juli 2007. Voor zover besluit 1 ziet op de terugvordering kan niet in de zaak worden voorzien omdat het bedrag van de resterende terugvordering over de periode van 1 juli 2007 tot en met 9 januari 2011 onbekend is. Met betrekking tot besluit 2 kan niet in de zaak worden voorzien omdat het college na inzage van de bankafschriften zal hebben te bezien of daaruit beletselen voortvloeien om appellant met ingang van 5 maart 2011 bijstand toe te kennen. Daarom bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen besluit 1 voor zover dat op de terugvordering ziet en te beslissen op het bezwaar tegen besluit 2.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

4 maart 2011, voor zover dat ziet op de terugvordering, en op het bezwaar tegen het besluit van 2 mei 2011 met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) P.J.M. Crombach

HD