Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
12-4119 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor budgetbegeleidingskosten. Voor appellant bestond voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer een passende en toereikende voorliggende voorziening. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir. Appellant heeft nog steeds een keuze. Hij kan kosteloos budgetbeheer aanvragen bij PLANgroep, dan wel zelf de kosten van budgetbeheer bij BBB betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4119 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 juni 2012, 12/409 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak:3 december 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Namens appellant is verschenen mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M. Keus.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant verblijft vanwege hersenletsel in een inrichting en is niet meer in staat zijn financiën te beheren. Zijn dochter is zijn mentor, maar beheert niet zijn financiën. Daarom heeft appellant, nadat hij uit een WSNP-traject kwam, ervoor gekozen om vrijwillig onder budgetbegeleiding te blijven bij Buro Budget Begeleiding B.V. (BBB). Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande in een inrichting. Appellant ontving daarnaast bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer.

1.2.

Op 23 mei 2011 heeft appellant wederom bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer.

1.3.

Bij brief van 8 juli 2011 heeft het college aan de dochter van appellant meegedeeld dat de bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer vanaf 1 januari 2012 niet meer zal worden toegekend, omdat de gemeente Venlo zelf deze diensten aanbiedt in de vorm van PLANgroep. Daarbij heeft het college de dochter, die mentor is van appellant, verzocht in overleg te treden met de afdeling schuldhulpverlening om te bespreken wat de beste oplossing voor appellant is.

1.4.

Bij besluit van 3 november 2011 heeft het college bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering toegekend over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011. Daarbij heeft het college aangegeven dat vanaf 1 januari 2012 deze kosten niet meer vergoed zullen worden, omdat vanaf deze datum sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de WWB.

1.5.

Op 26 januari 2012 heeft BBB namens appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor budgetbegeleidingskosten.

1.6.

Bij besluit van 1 februari 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.7.

Bij besluit van 21 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer PLANgroep een passende en toereikende voorliggende voorziening is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het door de gemeente Venlo geleverde budgetbeheer in de vorm van PLANgroep geen passende en toereikende voorliggende voorziening is. Door een jarenlange samenwerking met BBB is een vertrouwensband ontstaan tussen appellant en zijn budgetbeheerder, wat erg belangrijk is voor appellant. PLANgroep werkt vanuit Culemborg en zal enkel telefonisch of per e-mail contact kunnen onderhouden, terwijl die manier van contact voor appellant onmogelijk is. Bovendien ontvangt appellant al jaren bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer terwijl ook PLANgroep al jaren bestaat. Appellant ziet dan ook niet in waarom er thans ineens sprake zou zijn van een passende voorliggende voorziening. Daarnaast stelt appellant dat het college in strijd handelt met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van détournement de pouvoir. Door de bijzondere bijstand te beëindigen heeft appellant geen eigen keuzemogelijkheid meer.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 5, onder e, van de WWB wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

4.2.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.3.

Niet in geschil is dat PLANgroep budgetbeheer aanbiedt en bij toepassing van het pakket Budgetbeheer Compleet dezelfde werkzaamheden verricht als BBB. Deze door de gemeente Venlo aangeboden kosteloze dienstverlening kan daarom worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, onder e, van de WWB. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of deze voorliggende voorziening voor appellant toereikend en passend is.

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 31 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3359) ligt het op de weg van de aanvrager van bijzondere bijstand om aannemelijk te maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is. Appellant is daarin niet geslaagd. Zijn gemachtigde heeft gesteld dat BBB persoonlijk contact onderhoudt met appellant en hem regelmatig in de inrichting bezoekt, welke service PLANgroep niet kan bieden. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat de eigenaar van BBB heeft aangegeven dat hij maandelijks op huisbezoek gaat bij mensen die niet in staat zijn om op het kantoor van BBB te komen. Volgens de gemachtigde behoort appellant tot deze groep mensen. Uit deze toelichting blijkt evenwel onvoldoende concreet dat BBB appellant regelmatig bezoekt. Daarbij is van belang dat van de zijde van het college telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de dochter van appellant. Zij heeft aangegeven dat BBB het contact met appellant heeft onderhouden via haar en door middel van post en e-mail. Slechts één of tweemaal is appellant daadwerkelijk bezocht. De financiële overzichten zijn naar de dochter gezonden. Zij bezoekt appellant om de week en bespreekt dan waar nodig zijn financiële zaken en uitgaven. Niet kan worden ingezien waarom PLANgroep niet op dezelfde manier, via de dochter, contact met appellant kan onderhouden.

4.5.

Naar vaste rechtspraak (CRvB 21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8285) kan een bestuursorgaan niet de bevoegdheid worden ontzegd, bijvoorbeeld op grond van een wetswijziging of gewijzigd beleid, voor de toekomst terug te komen van een eerder ingezette en gevolgde gedragslijn. Dat appellant over eerdere jaren wel bijzondere bijstand voor kosten van vrijwillig budgetbeheer heeft ontvangen, betekent dan ook niet dat het college ook onderhavige aanvraag had moeten inwilligen. Uit het dossier blijkt dat het college in 2011 de vergoedingen van bijzondere bijstand voor kosten van onder andere budgetbeheer nader onder de loep heeft genomen. Het gevolg hiervan voor appellant, namelijk dat zijn kosten van vrijwillig budgetbeheer vanaf 1 januari 2012 niet meer vergoed worden, heeft het college overigens al bij brief van 8 juli 2011 aan de dochter van appellant meegedeeld, zodat appellant zich hierop had kunnen voorbereiden.

4.6.

Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van appellant in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir. Daarbij is van belang dat appellant nog steeds een keuze heeft. Hij kan kosteloos budgetbeheer aanvragen bij PLANgroep, dan wel zelf de kosten van budgetbeheer bij BBB betalen.

4.7.

Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat voor appellant voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer een passende en toereikende voorliggende voorziening bestond. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in de weg stond aan verlening van bijzondere bijstand voor die kosten.

4.8.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M. Sahin, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M. Sahin

sg