Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
12-4411 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding met neef. Geen bijzondere omstandigheden om appellante niet aan haar verklaring te houden. Beroep op uitzondering in verband met zorgbehoefte faalt, omdat dat de neef geen bloedverwant in de eerste of tweede graad is, maar in de derde graad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4411 WWB

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2012, 12/681 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 oktober 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 21 september 2011 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft appellante opgegeven dat haar nicht bij haar inwoonde. Uit administratief onderzoek is gebleken dat de nicht van appellante, [naam nicht], en het kind van die nicht bij haar stonden ingeschreven. Naar aanleiding hiervan heeft op 19 oktober 2011 een huisbezoek plaatsgevonden in de woning van appellante. Daarbij is gebleken dat de woon- en leefsituatie van appellante niet overeenkwam met haar opgave. In de woning van appellante is een neef van appellante slapend aangetroffen. Appellante heeft daar toen onder meer verklaard dat die neef, [naam neef]([neef]), tijdelijk bij haar woonde. Op advies van een behandelaar heeft [neef] vervolgens een aanvraag voor een werkleeraanbod ingevolge de Wet investering in jongeren (WIJ) ingediend en appellante een nieuwe aanvraag om bijstand, zij het naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college appellante bijstand verleend over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 3 november 2011 naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20%, en heeft het college de bijstand met ingang van

4 november 2011 ingetrokken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante met ingang van 4 november 2011 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [neef].

1.3.

Bij besluit van 17 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het college de bijstand heeft ingetrokken op de grond dat appellante en [neef] met ingang van 4 november 2011 met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en appellante daarom niet als een zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante en [neef] ten tijde als hier van belang hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden, zodat vaststaat dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.2.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.3.

Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat uit het geheel van feiten en omstandigheden volgt dat sprake is van wederzijdse zorg, is juist. Daarbij is met name van belang hetgeen appellante op 19 oktober 2011 ten overstaan van handhavingsmedewerkers heeft verklaard. Daaruit blijkt het volgende. Appellante stelde haar woning beschikbaar aan [neef], die daarvoor geen huur hoefde te betalen. Ze deden samen de boodschappen, waaronder het halen van waspoeder, en ze betaalden samen de kosten daarvan. Ze aten samen, appellante kookte voor beiden en zij deelden de taken in de huishouding. Zo maakte appellante het huis schoon en maakten ze samen de kamer van [neef] schoon. Appellante deed de was voor beiden en [neef] deed de afwas. Van een eenzijdige zorg, zoals door appellante gesteld, was dan ook geen sprake.

4.5.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden om appellante niet aan haar verklaring van

19 oktober 2011 te houden. Niet gebleken is immers dat appellante ten tijde van het huisbezoek in de war was of door het huisbezoek is overrompeld en daardoor een verklaring heeft afgelegd die niet juist is dan wel die tot een onjuiste conclusie van het college heeft geleid. Appellante heeft die verklaring na lezing mede ondertekend.

4.6.

Voorts heeft appellante in eerste aanleg een beroep gedaan op haar zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. De rechtbank heeft dat beroep terecht verworpen op de grond dat [neef] geen bloedverwant in de eerste of tweede graad is, maar in de derde graad, zodat appellante reeds hierom geen beroep op deze uitzondering kan doen. Overigens heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde hier van belang aanspraak zou hebben kunnen maken op een plaats in een AWBZ-instelling of dat sprake is van ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor appellante blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren en is aangewezen op intensieve zorg van anderen. Vergelijk CRvB 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3670.

4.7.

Hetgeen appellante ten slotte heeft aangevoerd met betrekking tot de afwijzing van haar nieuwe aanvragen ingevolge de WWB en de afwijzing van de aanvraag ingevolge de WIJ van [neef], slaagt evenmin, reeds omdat die aanvragen betrekking hebben op een latere periode dan hier ter beoordeling voorligt. Overigens is gebleken dat die afwijzende besluiten berusten op de grond dat appellante en [neef] in verzuim zijn geweest om tijdig de voor die aanvragen van belang zijnde gegevens te verstrekken.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD