Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
12-4410 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen bijzondere omstandigheden die er toe leiden dat bijstand verleend zou moeten worden over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/6
ABkort 2013/450

Uitspraak

12/4410 WWB

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juni 2012, 11/20 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellant is in persoon verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M. Brands.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandige en is op 6 oktober 2009 in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft zich op 14 oktober 2009 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 10 november 2009 heeft appellant een aanvraag ingediend.

1.2.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het dagelijks bestuur appellant met ingang van

14 oktober 2009 bijstand verleend.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de bijstand. Bij besluit van 22 november 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 41, eerste lid, van de WWB (oud) bepaalt dat de aanvraag is gericht tot het college en overeenkomstig artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet suwi) wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na de overdracht van de aanvraag door het Uwv aan het college wordt de aanvraag verder behandeld door het college. In artikel 30c, eerste lid, van de Wet suwi is onder meer bepaald dat het Uwv aanvragen in ontvangst neemt van algemene bijstand op grond van de WWB en dat het Uwv bij het in ontvangst nemen van die aanvraag de datum van de aanvraag vastlegt en op welke dag hij naam, adres en woonplaats van de belanghebbende heeft geregistreerd en hem in staat heeft gesteld zijn aanvraag in te dienen.

4.2.

Artikel 44, eerste lid, van de WWB (oud) bepaalt dat indien het college heeft vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Artikel 44, tweede lid, van de WWB bepaalt dat, voor zover hier van belang, de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uwv. Het derde lid van artikel 44 van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, het college, in afwijking van het eerste lid, kan besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of in voorkomende gevallen een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van zodanige omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, dan wel in het geval dat is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het Uwv of het bestuursorgaan heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij bij brief van 11 maart 2009 al een pro-forma aanvraag heeft ingediend bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (IGSD), maar dat die dienst die brief in strijd met artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan het bevoegde bestuursorgaan heeft doorgezonden. Appellant heeft er ook op gewezen dat sprake was van bijzondere omstandigheden om bijstand te verlenen met ingang van

11 maart 2009.

4.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur de brief van appellant van 11 maart 2009 reeds bij brief van 17 maart 2009 heeft beantwoord en appellant daarbij nadrukkelijk heeft gewezen op de voor het aanvragen van bijstand te volgen procedure. Zo is daarin aangegeven dat appellant zich voor een aanvraag om bijstand voor levensonderhoud diende te wenden tot het Werkbedrijf van het Uwv om zich in te schrijven als werkzoekende. Appellant heeft echter verzuimd zo spoedig mogelijk na ontvangst van de brief van 17 maart 2009 actie in de richting van het Werkbedrijf te ondernemen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Als gevolg hiervan heeft de brief van appellant van 11 maart 2009 niet geleid tot een aanvraag in de zin van vorengenoemde bepalingen.

4.6.

Voorts kan het beroep van appellant op de doorzendplicht ingevolge artikel 2:3 van de Awb niet slagen, reeds omdat een melding bij het Werkbedrijf, in verband met de registratie van gegevens van de aanvrager, op de voorgeschreven wijze dient plaats te vinden. Dit betekent dat ook het enkele doorzenden van de brief van appellant van 11 maart 2009 door de IGSD naar het Werkbedrijf niet tot een aanvraag om bijstand als vorenbedoeld zou hebben kunnen leiden.

4.7.

Niet gebleken is dat appellant zich eerder dan op 14 oktober 2009 voor het aanvragen van bijstand bij het Werkbedrijf heeft gemeld. Appellant heeft in dit verband een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden. Hij heeft aangevoerd dat zijn situatie toen nogal onoverzichtelijk was omdat hij in diverse procedures was verwikkeld, onder meer met het dagelijks bestuur, terwijl inmiddels ook zijn faillissement was aangevraagd. Dit zijn echter geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen van het beginsel dat geen bijstand wordt verleend over een periode gelegen vóór de datum van de melding of aanvraag. Het mag zo zijn dat appellant zich mede als gevolg van zijn faillissement en de diverse procedures in een lastige en verwarrende situatie bevond, maar niet valt in te zien dat appellant daardoor buiten staat was zich eerder voor het aanvragen van bijstand te melden en zo spoedig mogelijk een aanvraag in te dienen.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M. Sahin

HD