Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
12-1880 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om als oudere zelfstandige op grond van het Bbz 2004 in aanmerking te worden gebracht voor bijstand voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal. Appellant heeft onvoldoende gegevens aangeleverd om te beoordelen of het bedrijf levensvatbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/19

Uitspraak

12/1880 BBZ

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 maart 2012, 11/5187 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant hebben mr. M.L.M. Klinkhamer en mr. L. Orie hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Voor appellant is mr. Klinkhamer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1948, voert een eenmanszaak onder de handelsnaam

[naam bedrijf]. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het monteren van kunststof en aluminium kozijnen. Op 14 december 2010 heeft appellant zich gemeld om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) aan te vragen. Op 3 januari 2011 heeft hij een aanvraag ingediend om als oudere zelfstandige op grond van het Bbz 2004 in aanmerking te worden gebracht voor bijstand voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal. In de toelichting op zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat in verband met zijn leeftijd het plaatsen van kozijnen voor hem te zwaar is geworden en dat hij zich wil gaan richten op het onderhouden en herstellen van kozijnen. Om het daarvoor benodigde materiaal aan te schaffen en de bedrijfsauto te repareren heeft appellant € 4.810,- nodig en voor het doen van diverse andere betalingen € 2.145,-.

1.2.

Bij besluit van 2 februari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om te beoordelen of het bedrijf levensvatbaar is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij alle gegevens die het college hem heeft gevraagd heeft verstrekt. Als het college vond dat er nog gegevens ontbraken, had het college appellant daartoe de gelegenheid moeten geven en die gelegenheid is appellant niet geboden. Op appellant is ten onrechte de last gelegd het bewijs inzake het al dan niet levensvatbaar zijn van het bedrijf te leveren. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college advies had moeten vragen aan een externe deskundige instantie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 is bepaald dat algemene bijstand kan worden verleend aan de zelfstandige van 55 jaar en ouder wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. In artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004 is bepaald dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal slechts kan worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in (onder meer) onderdeel c van het eerste lid.

4.2.

De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat daaraan ten grondslag is gelegd dat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te beoordelen of zijn bedrijf levensvatbaar is en dat daarom niet kan worden vastgesteld of appellant een oudere zelfstandige is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bbz 2004 en in die hoedanigheid aanspraak kan maken op algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

4.3.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Gelet op wat onder 4.3 is overwogen ligt het op de weg van appellant aannemelijk te maken dat hij een oudere zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bbz 2004 is. Dit betekent dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat zijn bedrijf niet levensvatbaar is.

4.5.

Bij brief van 13 januari 2011 heeft het college appellant om gegevens gevraagd, onder meer om een volledig ingevuld doorstartplan inclusief de verwachte inkomsten in 2011 en 2012 en schriftelijke toezeggingen van potentiële opdrachtgevers. Het gaat hier om gegevens die van belang zijn om de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant te kunnen beoordelen. Appellant heeft op 2 februari 2011 het college telefonisch laten weten dat hij geen exploitatiebegroting kan opstellen, omdat hij niet weet wat de inkomsten zullen zijn de komende twee jaar en dat hij evenmin schriftelijke toezeggingen van klanten kan overleggen. In bezwaar heeft appellant enkele gegevens overgelegd, onder meer een exploitatiebegroting voor 2011 en 2012 en een brief van [naam B.V.], waarin wordt bevestigd dat, als zich onderhoudswerkzaamheden aan kozijnen, ramen en deuren voordoen, het bedrijf dit werk zal laten uitvoeren door appellant tegen een tarief van in 2011 € 30,- per uur exclusief BTW. Met het overleggen van deze gegevens heeft appellant niet in voldoende mate voldaan aan het verzoek om informatie van 13 januari 2011. De ingeleverde begroting is in het geheel niet onderbouwd en toegelicht. Zij vermeldt slechts totaalbedragen die op geen enkele wijze worden gerelateerd aan concreet verwachte werkzaamheden, inkomsten, kosten enzovoorts. De toezegging door [naam B.V.] heeft appellant niet vergezeld laten gaan van een prognose van de, gelet op die toezegging, te verwachten werkzaamheden. Het standpunt van appellant dat het college na het inleveren van de gegevens door appellant expliciet om de ontbrekende onderbouwing, toelichting en prognose had moet vragen wordt niet gevolgd. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij, om te voldoen aan het verzoek om informatie van 13 januari 2011, niet kon volstaan met de in bezwaar overgelegde gegevens. Ook nadien heeft appellant de gevraagde gegevens niet verstrekt.

4.6.

Wat onder 4.5 is overwogen betekent dat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt om de levensvatbaarheid van zijn bedrijf te beoordelen, zodat niet kan worden vastgesteld of hij als oudere zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bbz 2004 recht heeft op bijstand.

4.7.

De beroepsgrond van appellant dat het college advies had moeten vragen aan een externe deskundige instantie treft geen doel. Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van externe deskundige instanties, maar is daartoe niet verplicht indien de benodigde deskundigheid in de eigen organisatie aanwezig is. Met het formeren van een Bureau Zelfstandigen waarin bedrijfseconomische medewerkers werkzaam zijn die specifiek zijn belast met het maken van beoordelingen in het kader van de Bbz 2004 wordt het college in beginsel geacht de nodige deskundigheid in huis te hebben om op adequate wijze te kunnen vaststellen of voldoende gegevens voorhanden zijn om de levensvatbaarheid van een bedrijf te beoordelen. Gelet op wat gemachtigde van het college ter zitting heeft opgemerkt over de opleidingseisen die aan de medewerkers van het Bureau Zelfstandigen worden gesteld en over de specifieke cursussen die de betreffende medewerkers volgen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt in dit geval niet zou opgaan.

4.8.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) P.J.M. Crombach

HD