Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
13-3843 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3843 WWB

Datum uitspraak: 3 december 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 juli 2010, 08/3290 WWB

Partijen:

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 6 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1242.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 oktober 2013. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallati. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.V. van Ophem, advocaat, en mr. R. Liefers en E.M. Postma.

OVERWEGINGEN

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

2.1.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.

De uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft betrekking op het na bezwaar gehandhaafde besluit van 11 juni 2007, waarbij verzoeker op grond van artikel 70, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) een bedrag van € 486.127,- heeft teruggevorderd van het college. Aan dit besluit heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat het college ten laste van het werkdeel WWB 2004 uitgaven tot een bedrag van
€ 486.127,- heeft gedaan waarvan de rechtmatigheid van de besteding in 2004 en ook in 2005 niet kon worden vastgesteld. Verzoeker heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van de kenbaar gemaakte beleidslijn dat de rechtmatige besteding van de aangegane verplichtingen in het kader van artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB uiterlijk in het jaar volgend op het jaar van besteding wordt vastgesteld. In de uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de wetsgeschiedenis aanknopingspunten bevat voor een strikte benadering van de jaarlijkse verantwoording zoals door de Staatssecretaris voorgestaan. Dit neemt niet weg dat er bij het college blijkbaar sprake was van een jarenlang daarvan afwijkende uitvoeringspraktijk, die tot aan 2005 werd geaccepteerd door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI). Gelet op deze omstandigheden, een geaccepteerde uitvoeringspraktijk en de onmogelijkheid voor appellant om deze uitvoeringspraktijk voor de verleende voorschotten over 2004 nog tijdig aan te passen, had het op de weg van de Staatssecretaris gelegen de onzekerheid over de rechtmatige besteding van deze voorschotten nog te accepteren en had hij aldus niet tot de conclusie kunnen komen dat er ten aanzien van de jaaroverschrijdende verplichting ter hoogte van

€ 486.127,- (reeds) sprake was van onrechtmatige besteding. Verzoeker was uit hoofde van het verslag over de uitvoering WWB 2005 niet bevoegd om op grond van artikel 70, eerste lid, van de WWB tot terugvordering van het bedrag van € 486.127,- over te gaan.

3.

Verzoeker heeft aangevoerd dat achteraf is gebleken dat van de door het college gestelde jarenlange praktijk van langlopende contracten met voorschotfinanciering al vanaf 2002 geen sprake meer was. Van een door verzoeker geaccepteerde uitvoeringspraktijk is dus geen sprake geweest. Dit feit is pas naar voren gekomen na de uitspraak van 6 juli 2010 in het kader van een soortgelijke terugvorderingsprocedure over de verantwoordingsjaren 2007 en 2008. Omdat het college in die procedure refereerde aan de uitspraak van 6 juli 2010 heeft verzoeker de verantwoordingsverslagen van het college en de verslagen van de accountant naar aanleiding van de gehouden reviews over de jaren vóór 2005 onderzocht. Uit deze verslagen blijkt niet van de door het college gestelde uitvoeringspraktijk. Volgens verzoeker stroken de feiten waarvan wordt uitgegaan in de uitspraak van 6 juli 2010 niet met de feiten zoals die uit de gecertificeerde verantwoording van het college blijken. De Raad dient daarom tot herziening van de uitspraak van 6 juli 2010 over te gaan. Te meer omdat de rechtbank Leeuwarden in de procedure over de verantwoordingsjaren 2007 en 2008 onder verwijzing naar de uitspraak van 6 juli 2010 heeft overwogen dat in die uitspraak een definitief oordeel is gegeven over de geaccepteerde uitvoeringspraktijk en dat dit oordeel niet opnieuw ter discussie kan worden gesteld (uitspraak van 1 november 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012: BY2745). Dit betekent volgens verzoeker dat hij daardoor (ook) voor de jaren 2007 en 2008 geen gebruik meer kan maken van de in artikel 70, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting tot terugvordering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat, anders dan het college in zijn verweerschrift heeft betoogd, verzoeker geen afstand van zijn recht op herziening heeft gedaan of het vertrouwen heeft gewekt dat hij niet om herziening zou vragen. De uitlatingen van verzoeker dat hij de uitspraak van 6 juli 2010 respecteert moeten, zo begrijpt de Raad, aldus worden opgevat dat de materiële gevolgen van de uitspraak niet ter discussie staan en het college bij toewijzing van het verzoek om herziening niet alsnog tot terugbetaling hoeft over te gaan.

4.2.

De vraag ligt voor of voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:88 van de Awb.

4.3.

Wat verzoeker heeft aangevoerd ziet niet op feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak van 6 juli 2010 niet bij verzoeker bekend waren dan wel redelijkerwijs bekend konden zijn. Verzoeker beschikte voor deze uitspraak immers al over de door hem genoemde verantwoordings- en accountantsverslagen, zodat hij met de inhoud daarvan bekend kon en mocht worden verondersteld. De naar voren gebrachte argumenten hebben in wezen de strekking de juistheid van de uitspraak van 6 juli 2010 in twijfel te trekken. Volgens vaste rechtspraak is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening evenwel niet gegeven om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen (uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516).

4.4.

Uit 4.3 volgt dat reeds hierom het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

5.

Aanleiding bestaat verzoeker te veroordelen in de proceskosten van het college. Deze worden begroot op € 944,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- veroordeelt verzoeker in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M.R. Schuurman

HD