Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
13-1668 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor vergoeding van de eigen bijdragen in de kosten van rechtsbijstand in zeven gerechtelijke procedures en van het griffierecht. Geen bijzondere omstandigheden. Consistent uitgevoerd beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1668 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

13 februari 2013, 12/517 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Sloot, kantoorgenoot van mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 18 mei 2011 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor vergoeding van de eigen bijdragen in de kosten van rechtsbijstand in zeven gerechtelijke procedures en van het griffierecht. De toevoegingen in deze zaken zijn verleend in de periode van 28 februari 2009 tot en met 24 september 2010. Voor het griffierecht zijn nota’s van 6 mei 2010, 3 juni 2010 en 14 september 2010 van Advocatenkantoor Pontius overgelegd.

1.2.

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 18 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2011 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de overgelegde toevoegingen en nota’s niet heeft ingediend binnen de daarvoor in het gemeentelijke beleid, neergelegd in paragraaf 2.57 van het Handboek SoZaWe (Handboek), gestelde termijn van twee weken na afgifte van de toevoeging of na ontvangst van de nota van de advocaat.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor vergoeding wordt gevraagd zijn opgekomen voor de datum van de aanvraag om bijzondere bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (de uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2.

Appellante heeft, samengevat, gewezen op haar zorgelijke, medische conditie, waardoor zij hoge medische kosten heeft en niet beschikte over financiële middelen om haar eigen bijdragen en griffierecht te voldoen. Appellante wijst er voorts op dat zij door het college onvoldoende is voorgelicht over de mogelijkheid om bijzondere bijstand aan te vragen. Wat daar ook van zij, indien onjuiste voorlichting is gegeven over de mogelijkheid bijzondere bijstand aan te vragen, is dat geen bijzondere omstandigheid als onder 4.1 bedoeld. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante om, in geval van hoge medische kosten en het daardoor niet beschikken van financiële middelen, tijdig een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen dan wel zich tot het college te wenden om nadere informatie.

4.3.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de in het beleid gestelde termijn van twee weken zeer onredelijk is in verhouding tot de termijn die het college van Leeuwarden aanhoudt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college hanteert met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand en griffierecht beleid, uitgewerkt in het Handboek. Dat beleid houdt in, kort gezegd, dat de aanvraag moet zijn gedaan binnen twee weken na afgifte van de toevoeging of de factuur van de advocaat. Volgens het college is hiermee bedoeld dat de aanvraag moet zijn ingediend op de vroegste van de twee momenten, zodat het college niet voor voldongen feiten wordt geplaatst. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 december 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BC2066) gaat het hier om buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent, anders dan appellante meent, dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het college het beleid op consistente wijze toepast. In wat appellante heeft aangevoerd is geen aanknopingspunt gelegen voor het oordeel dat het college het beleid niet op consistente wijze toepast. Vragen of het beleid redelijk is, dan wel of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht zijn daarom niet aan de orde.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

HD