Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
12-2916 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Geen sprake van het bieden van een reële verbeterkans. Niet gebleken dat betrokkene vóór 2006 slechte beoordelingen heeft gehad. De conclusie van appellant dat betrokkene wegens het ontbreken van de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling ongeschikt was voor haar functie en om die reden ontslagen kon worden, is dan ook niet gerechtvaardigd. Op het moment dat appellant het ontslagbesluit heeft genomen, was het op grond van het besluit waarbij het UWV aan betrokkene een WIA-uitkering had toegekend duidelijk dat zij in elk geval vanaf 21 september 2006 op medische gronden volledig ongeschikt was voor het vervullen van haar functies. Het stond appellant dan ook niet meer vrij om haar ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/71
Module Ambtenarenrecht 2016/1661
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 2916 AW

Datum uitspraak: 28 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

13 april 2012, 11/1172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van de Schraaff. Voor betrokkene is verschenen

mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de gemeente Landgraaf, sinds 20 augustus 2001 voor

0,4 fte in de functie van [naam functie 1] en voor 0,6 fte in de functie van [naam functie 2].

1.2. Betrokkene is in ieder geval vanaf 1998 bekend met vermoeidheidsklachten, waardoor zij zich regelmatig en soms gedurende langere periodes ziek heeft gemeld.

1.3. Op 22 maart 2006 is voor elk van beide functies een concept-beoordeling opgemaakt van het functioneren van betrokkene over het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2006. Deze beoordelingen zijn ongewijzigd vastgesteld op 14 november 2006. De aspecten zelfstandigheid/werkwijze en contact zijn voor beide functies beoordeeld als matig. Voor de functie [naam functie 2] zijn ook het aspect kennis en kunde en het aspect uitdrukkingsvaardigheid als matig beoordeeld. In deze beoordelingen zijn geen concrete afspraken over verbetering opgenomen.

1.4. Betrokkene is op 21 september 2006 geheel uitgevallen door energetische beperkingen en beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant heeft deze ziekmelding geaccepteerd na een deskundigenoordeel van de verzekeringsgeneeskundige van het UWV.

1.5. Op 1 april 2007 is voor beide functies een concept-beoordeling opgemaakt over het tijdvak 1 april 2006 tot 1 april 2007. Betrokkene was op dat moment nog steeds ziek en had in de te beoordelen periode 71 dagen gewerkt. De aspecten zelfstandigheid/werkwijze en contact zijn voor beide functies respectievelijk beoordeeld als matig en slecht. Het aspect kennis en kunde is voor de functie [naam functie 1] beoordeeld als matig en voor de functie [naam functie 2] als slecht. Betrokkene achtte zich fysiek en psychisch niet in staat tot het voeren van een beoordelingsgesprek en heeft schriftelijk gereageerd. Zij heeft te kennen gegeven dat haar medische klachten hebben geleid tot beroepsmatig en maatschappelijk disfunctioneren. De beoordelingen zijn ongewijzigd vastgesteld op 22 augustus 2007 en zijn, na bezwaar, beroep en hoger beroep, met de uitspraak van de Raad van 18 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO5102, in rechte komen vast te staan.

1.6. Naar aanleiding van een arbeidsdeskundige rapportage van het UWV van 15 augustus 2008 heeft het UWV appellant bij besluit van 26 augustus 2008 wegens het niet voldoen aan zijn re-integratie verplichtingen een loonsanctie opgelegd en het tijdvak waarin betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken.

1.7. Vanaf 17 september 2009 heeft het UWV aan betrokkene een uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Daarbij is vermeld dat betrokkene op dat moment niet kan werken, dat het UWV van haar geen re-integratieactiviteiten verwacht, maar dat er wel kans is op herstel. Bij brief van 18 december 2009 heeft appellant van dit besluit een kopie ontvangen.

1.8. Na het voornemen daartoe heeft appellant betrokkene bij besluit van 15 december 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 mei 2011, met ingang van 1 januari 2011 eervol ontslag verleend. Het ontslag is primair verleend met toepassing van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Landgraaf (ARL) op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken (ongeschiktheidsontslag). Voor de onderbouwing hiervan heeft appellant gewezen op de twee in 2007 vastgestelde negatieve beoordelingen, die in hoger beroep in stand zijn gebleven. Subsidiair is het ontslag met toepassing van artikel 8:4 van de ARL verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid (ziekteontslag).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd en het besluit van 14 december 2010 herroepen voor zover daarbij ongeschiktheidsontslag is verleend. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de beoordelingen van het functioneren van betrokkene in de beide functies van 2007 geen ongeschiktheidsontslag rechtvaardigen. Appellant heeft niet onderzocht of het slechte functioneren van betrokkene in beide functies op het onderdeel contact en in de functie van [naam functie 2] ook op het onderdeel kennis en kunde verband hield met haar ziekte. Verder is niet gebleken dat betrokkene concreet de mogelijkheid heeft gekregen om zich te verbeteren en was het contact met de leiding in de beoordelingen van 2006 nog als voldoende bestempeld.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op de gegrondverklaring van het beroep, de vernietiging van het bestreden besluit voor zover daarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd en de herroeping van het besluit van 14 december 2010 voor zover daarbij ongeschiktheidsontslag is verleend. Hij heeft aangevoerd dat aan het ontslagbesluit niet alleen de in 2007, maar ook de in 2006 opgemaakte beoordelingen ten grondslag liggen en dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene tot 1 april 2006 voldoende functioneerde. De score “matig” wordt immers gegeven als men niet geheel voldoet aan de eisen. Voor het gezichtspunt contact heeft betrokkene 71 werkdagen en niet, zoals de rechtbank heeft gesteld, naar rato van de functie respectievelijk 28 en 42 werkdagen de tijd gehad om zich te verbeteren. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk oordeel gegeven over de juistheid van de beoordeling van 2007 in beide functies van het gezichtspunt contact als slecht. Die beoordeling staat in rechte vast.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad reeds in zijn onder 1.5 genoemde uitspraak van 18 november 2010 tot uitdrukking heeft gebracht, kan de gezondheidssituatie van een betrokkene bij het opmaken van een beoordeling niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is, maar wel van invloed zijn op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen.

4.2.

Naar vaste rechtspraak (CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8111) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, in het algemeen niet toelaatbaar als de betrokkene niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

4.2.1.

Bij de in 2006 opgemaakte beoordelingen heeft appellant betrokkene wel op haar functioneren en gedrag aangesproken - behalve over het contact met de leiding - maar zijn geen concrete afspraken gemaakt ter verbetering. Bovendien heeft betrokkene in het tijdvak van de aan het ontslag ten grondslag liggende beoordelingen uit 2007 slechts 71 dagen gewerkt, verdeeld over ongeveer 28 dagen in de functie van [naam functie 1] en ongeveer 42 dagen in de functie van [naam functie 2]. Onder deze omstandigheden was van het bieden van een reële verbeterkans geen sprake. Daar komt bij dat niet is gebleken dat betrokkene vóór 2006 slechte beoordelingen heeft gehad. De conclusie van appellant dat betrokkene wegens het ontbreken van de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling ongeschikt was voor haar functie en om die reden ontslagen kon worden, is dan ook niet gerechtvaardigd.

4.3.

Het is ook vaste rechtspraak (CRvB 28 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF0077) dat in gevallen waarin aanwijzingen bestaan dat de ongeschiktheid van een betrokkene verband houdt met ziekte of gebrek, of daarover gerede twijfel bestaat, onderzoek moet plaatsvinden naar het bestaan van die eventuele medische oorzaak. Als een betrokkene op medische gronden ongeschikt is voor zijn functie, is het bestuursorgaan niet bevoegd hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden (CRvB

19 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4522).

4.3.1.

Uit de opgemaakte beoordelingen blijkt dat appellant bekend was met de gezondheidstoestand van betrokkene en de gevolgen daarvan voor haar functioneren en gedrag. Betrokkene heeft hier zelf ook met grote regelmaat op gewezen. Bovendien was er aanleiding om te veronderstellen dat de gezondheidssituatie van betrokkene in de loop van 2006 was verslechterd. Op het moment dat appellant het ontslagbesluit heeft genomen, was het op grond van het besluit waarbij het UWV aan betrokkene een WIA-uitkering had toegekend duidelijk dat zij in elk geval vanaf 21 september 2006 op medische gronden volledig ongeschikt was voor het vervullen van haar functies. Het stond appellant dan ook niet meer vrij om haar ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5.

Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 466,-.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en K.J. Kraan en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) B. Rikhof

HD