Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
11-2925 AWBZ-T II + 13-1652 AWBZ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak (II). Naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3936) heeft CIZ een nieuw besluit genomen. De aanvullende rapporten en het daarop gebaseerde nieuwe besluit nemen de in die tussenuitspraak verwoorde gebreken niet genoegzaam weg. Het nieuwe besluit kan geen stand houden. Met het oog daarop merkt de Raad op dat Ciz onderzoek door een psychiater moet laten verrichten. De Raad draagt Ciz op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2925 AWBZ-T II, 13/1652 AWBZ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 mei 2011, 09/5062 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (Ciz)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 14 november 2012 een tussenuitspraak,

LJN BY3936, gedaan.

Vervolgens heeft Ciz bij brief van 29 januari 2013 een rapport van medisch adviseur

H.M. Laane (Laane) van 4 januari 2013, aangevuld op 28 januari 2013, ingediend. Daarbij is tevens een nieuw besluit van 29 januari 2013 overgelegd.

Hierop heeft appellant zijn standpunt nader uiteengezet bij brief van 10 februari 2013.

Nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Appellant is niet verschenen. Ciz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Kersjes.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft Ciz nader onderzoek laten verrichten door Laane. Laane heeft in zijn rapport van 28 januari 2013, na ontvangst van medische informatie van huisarts Schuurman (Schuurman) en telefonisch overleg met hem, geconcludeerd dat Schuurman niet weet of appellant onder behandeling is voor psychische klachten. Schuurman heeft bericht dat appellant soms een maand of langer is uitgeschakeld door de ziekte, waarbij de klachten of symptomen niet duidelijk zijn. Ook heeft Laane geconcludeerd dat uit verdere informatie duidelijk volgt dat geen sprake is van ernstige somatische ziekten die tot beperkingen leiden en het ‘uitgeschakeld zijn’ dus een gevolg moet zijn van de psychische

situatie van appellant, waarbij zijn voorgeschiedenis schizofrenie vermeldt. Bij een dergelijke uitval is tijdige inschakeling van de huisarts dan wel een psychiater als voorliggend te beschouwen. Ciz heeft vervolgens, onder verwijzing naar de conclusies in het rapport van Laane, bij besluit van 29 januari 2013 de beslissing op bezwaar van 19 oktober 2009 herzien en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 maart 2009 wederom ongegrond verklaard.

2.2.

Appellant meent dat Ciz niet is geslaagd in de opdracht van de tussenuitspraak van de Raad.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Nu met het besluit van 29 januari 2013 niet aan het beroep is tegemoetgekomen, wordt het beroep op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede tegen dit besluit gericht geacht en als zodanig in de beoordeling betrokken.

3.2.

Naar het oordeel van de Raad nemen de aanvullende rapporten van Laane van

4

en 28 januari 2013 en het daarop gebaseerde besluit van 29 januari 2013, de in 5.2 tot en met 5.2.2 van de tussenuitspraak verwoorde gebreken in de besluitvorming niet genoegzaam weg. Het besluit van 29 januari 2013 kan daarom geen stand houden.

3.3.

De Raad ziet met het oog op de finale beslechting van het geschil aanleiding om Ciz op te dragen het gebrek in het besluit van 29 januari 2013 te herstellen. Met het oog daarop merkt de Raad op dat Ciz door een psychiater onderzoek dient te laten verrichten naar (1) de aard en de ernst van de beperkingen van appellant en (2) de daaruit voortvloeiende behoefte aan AWBZ-zorg. Voorts dient deze psychiater te onderzoeken of er (3) voor appellant nog behandeling mogelijk en zinvol is en, zo ja, (4) welke concrete behandelopties er mogelijk zijn in de specifieke situatie van appellant. Ten slotte dient de psychiater te onderzoeken (5) of appellant voorafgaande en/of tijdens de eventuele behandeling op AWBZ-zorg is aangewezen. De psychiater dient bij zijn onderzoek in ieder geval een huisbezoek af te leggen, appellant persoonlijk te onderzoeken en zonodig informatie bij derden (waaronder de echtgenote van appellant) in te winnen. Gelet op het voorgaande zal Ciz vervolgens opnieuw moeten bezien of de aanvraag van appellant voor inwilliging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt Ciz op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 29 januari 2013 te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.P. Ketting

CVG