Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
12-681 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum WAJONG-uitkering. Bijzonder geval. Appellante heeft terecht gesteld dat de deskundigen de vraag van de rechtbank, wanneer bij appellante zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid, niet hebben beantwoord. Er is sprake van een zeer uitzonderlijke situatie, waarin het juist als gevolg van de aandoening van appellante, in combinatie met het ontbreken van de mogelijkheid langs een andere weg betrouwbare informatie te krijgen, uitermate moeilijk is gebleken zicht te krijgen op het functioneren van appellante in het verleden. Gezien de omstandigheden is het aangewezen uit te gaan van de lezing van de pedagoge/hulpverlener bij het RIAGG en het ervoor te houden dat bij appellante pas in 2009, tijdens haar behandeling bij het RIAGG een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid. De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt de ingangsdatum in 1993.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/681 WAJONG

Datum uitspraak: 27 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

21 december 2011, 10/1006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.G. Duijsters, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Duijsters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 9 oktober 2009 heeft het Uwv van appellante, geboren [in]1975, een aanvraag ontvangen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv appellante bij besluit van 29 januari 2010 met ingang van 9 oktober 2008 - een jaar voor datum aanvraag - een uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellante heeft in bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2010 aangevoerd dat haar uitkering had moeten ingaan op haar achttiende verjaardag, [in]1993. Bij besluit van

7 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft beoordeeld of sprake was van een bijzonder geval, waarin de uitkering eerder kan ingaan dan een jaar voor datum aanvraag. Zij heeft daartoe overwogen dat gelet op de uitspraak van de Raad van 20 december 1994 (ECLI:NL:CRVB:1994:AL0365) van een bijzonder geval gesproken kan worden indien de betrokkene ter zake van de te late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dit kan het geval zijn indien bij de betrokkene eerst op een later tijdstip een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoening en de gevolgen daarvan voor de arbeidsgeschiktheid. Onder verwijzing naar de bevindingen van de door haar ingeschakelde deskundigen J.J. van Os en B.J.A. Gulpers, respectievelijk psychiater en psychiater in opleiding, heeft de rechtbank geconcludeerd dat geen sprake was van een bijzonder geval als hiervoor omschreven.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen bijzonder geval aanwezig heeft geacht. Appellante heeft er op gewezen dat de bij haar aanwezige problematiek al voor haar achttiende verjaardag bestond. Bij appellante is echter volgens haar pas nadat zij in 2009 onder behandeling van het RIAGG was gekomen zicht ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid. Appellante heeft daartoe verwezen naar verklaringen van S. Boothe, pedagoge/hulpverlener bij het RIAGG, van 16 juli 2010 en 1 oktober 2010. In de visie van appellante was haar situatie vergelijkbaar met de situatie waarover de Raad heeft geoordeeld in de uitspraak van 24 februari 2010 (ECLI:CRVB:2010:BL5751). Zij heeft daarbij aangetekend dat de rechtbank weliswaar aan de door haar ingeschakelde deskundigen heeft gevraagd wanneer bij appellante een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de consequenties daarvan voor haar vermogen om met arbeid inkomen te verdienen, maar dat de deskundigen deze vraag in feite niet hebben beantwoord.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep benadrukt dat niet gebleken is dat appellante niet eerder inzicht had of had kunnen hebben in het feit dat zij niet in staat was tot het verrichten van loonvormende arbeid dan wel dat dit niet probleemloos zou zijn. Niet is gebleken van een aan dit inzicht in de weg staand(e) ziekte of gebrek.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst moet worden vastgesteld dat, gelet op de datum waarop het Uwv heeft beslist op de aanvraag van appellante, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten

(Wet Wajong) van toepassing is. Meer specifiek gaat het hier om de toepassing van artikel 3:29 van deze wet, dat bepalingen bevat ten aanzien van de ingangsdatum van de uitkering. Deze bepaling is gelijkluidend aan het door het Uwv in het bestreden besluit genoemde artikel 29 van de Wajong, zoals dat tot 1 januari 2010 luidde. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het feit dat het Uwv in het bestreden besluit het oude artikel heeft genoemd. Overigens heeft het Uwv in het in hoger beroep ingediende verweerschrift wel het juiste artikel genoemd.

4.2.

Uit artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong volgt dat bij een laattijdige aanvraag als uitgangspunt geldt dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor datum aanvraag. Voor bijzondere gevallen bepaalt de tweede volzin van dat artikellid echter dat het Uwv van het in de eerste volzin neergelegde uitgangspunt kan afwijken.

4.3.

In deze zaak is uitsluitend in geschil of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, tweede volzin, van de Wet Wajong. Meer in het bijzonder verschillen partijen in dit verband van mening over het antwoord op de vraag of bij appellante eerst op een later tijdstip - appellante stelt in 2009 - een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid.

4.4.

Appellante is op 6 november 2009 gezien door een verzekeringsarts. Deze beschrijft in zijn rapport van 19 januari 2010 dat appellante vanaf het begin van het spreekuur aanzienlijk ontregeld was, nauwelijks een tweezijdig gesprek met haar te voeren viel, zij erg incoherent was en bij systematisch uitvragen van gegevens door de verzekeringsarts emotioneel werd en zichtbaar geblokkeerd raakte. In de visie van de verzekeringsarts was sprake van een evident onvermogen. Na uitvoerig telefonisch overleg met Boothe heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat sprake was van ziekte of gebreken die al op en voor de leeftijd van zeventien jaar bestonden en een permanent karakter hadden, waardoor appellante ook al op en voor haar zeventiende jaar aanzienlijke beperkingen in haar functioneren had, met name in haar persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft een actuele Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en daarbij vermeld dat deze identiek was aan de FML op zeventienjarige leeftijd.

4.5.

In bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts [in]2010 gericht gerapporteerd over de ingangsdatum van de uitkering. In haar visie was geen sprake van een bijzonder geval. Appellante beschikte in haar visie over ruim voldoende intellectuele capaciteiten om de handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor het doen van een aanvraag. Zij heeft daartoe gewezen op het feit dat appellante in het verleden onderwijs heeft gevolgd en haar studiefinanciering heeft geregeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt dat het rond haar zeventiende jaar en daarna waarschijnlijk beter ging met appellante. Zij stond destijds niet onder behandeling. Overigens blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante ook tijdens haar onderzoek geblokkeerd is geraakt.

4.6.

De rechtbank heeft aan de door haar ingeschakelde deskundigen de vraag voorgelegd wanneer bij appellante zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid, waarbij de rechtbank het belang van deze vraag voor de ingangsdatum van de uitkering heeft toegelicht. Uit het rapport van de deskundigen blijkt dat zij drie gesprekken met appellante hebben gehad van in totaal zes uur. Daarnaast hebben zij gesproken met Boothe, de huisarts en de partner van appellante en kennis genomen van de beschikbare informatie uit de behandelend sector en van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Ondanks hun uitvoerige onderzoek hebben zij de vraag van de rechtbank niet kunnen beantwoorden. Als redenen hiervoor geven de deskundigen dat zij onvoldoende met appellante hebben kunnen communiceren en dat zij van derden onvoldoende concrete informatie hebben gekregen om een duidelijke verandering in bewustwording over de tijd te valideren. De deskundigen illustreren het onvermogen met appellante te communiceren in hun rapport uitvoerig. Zij doen dit aan de hand van een gedetailleerde beschrijving van het verloop van het onderzoek. Appellante lijkt op een dwangmatige manier de inhoud van haar gedachten en de associatieve vertakkingen die daarin ontstaan letterlijk te moeten verbaliseren in volgorde van ontstaan, waardoor een voortdurende woordenstroom ontstaat en men geen antwoord krijgt op een vraag. De onderzoekers spreken van een unilaterale woordenvloed. Appellante laat zich niet onderbreken en zij laat zich ook niet sturen. Het beschreven proces legt de wederkerige communicatie met anderen zo goed als lam. Gesprekken met appellante leveren dan ook weinig bruikbare informatie op. Wanneer appellante gehinderd wordt in het letterlijk verbaliseren van haar gedachten en associaties ontstaat stress en raakt zij geëmotioneerd. Poogt men appellante te onderbreken of te sturen, dan volgt een atypisch trillen en schokken van het lichaam en vooral de ledematen. Zij begint dan te stotteren en haar spraak stokt. De deskundigen spreken, onder verwijzing naar hetgeen zij van Boothe, de huisarts en de partner van appellante hebben gehoord, van een eenduidig beeld van reële sociale en communicatieve beperkingen die niet makkelijk kunnen worden gekaderd in een bepaalde mentale stoornis. Zij achten het, gelet op hun bevindingen, niet waarschijnlijk dat nader of aanvullend onderzoek meer duidelijkheid kan verschaffen.

4.7.

Zoals blijkt uit hetgeen in 4.6 is weergegeven heeft appellante terecht gesteld dat de deskundigen de vraag van de rechtbank, wanneer bij appellante zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid, niet hebben beantwoord. Nu het antwoord op deze vraag van essentieel belang is om te kunnen vaststellen of sprake is van een bijzonder geval valt niet in te zien hoe de rechtbank uit het onderzoek van de deskundigen heeft kunnen concluderen dat geen sprake was van een bijzonder geval.

4.8.

Zowel uit het rapport van de verzekeringsarts als uit het rapport van de deskundigen komt duidelijk naar voren dat het vanwege de aandoening van appellante, hoe deze ook in diagnostische zin precies moet worden geduid, buitengewoon moeilijk is informatie van appellante zelf te verkrijgen omtrent haar functioneren in het verleden. Geen van de betrokken artsen rapporteert daarbij signalen die zouden kunnen wijzen op aggravatie of simulatie. Zij gaan uit van een reële problematiek. Er zijn derhalve geen aanwijzingen dat appellante ter zake enig verwijt kan worden gemaakt.

4.9.

Op basis van hetgeen bekend is over de voorgeschiedenis van appellante moet er voorts van uitgegaan worden dat er geen derden zijn die concrete informatie kunnen verstrekken over het functioneren van appellante voor 2008. In 2008 heeft zij de partner met wie de deskundigen hebben gesproken leren kennen. Deze partner dacht dat zij wellicht ADHD had en wist appellante zo ver te krijgen dat zij de huisarts verzocht haar naar het RIAGG te verwijzen. Daar is appellante, zo blijkt uit informatie van Boothe, op 7 januari 2009 in behandeling gekomen. Naast Boothe is bij het RIAGG psychiater D. Corstens bij de behandeling betrokken geweest. De deskundigen hebben met Boothe gesproken over hun problemen bij het verkrijgen van informatie van appellante over de sociale of historische context. Boothe heeft te kennen gegeven dat de behandelaren van het RIAGG hier ook in mindere mate mee zijn geconfronteerd, maar dat het wel mogelijk is informatie van appellante te verkrijgen. Boothe heeft zowel tegenover de deskundigen als in haar bij de rechtbank overgelegde brief van 16 juli 2010 te kennen gegeven dat appellante zich pas tijdens haar behandeling bij het RIAGG bewust is geworden van haar psychische problemen en beperkingen. Boothe heeft dit verklaard vanuit een overlevingsmechanisme dat is ontstaan door haar traumatische verleden, waardoor zij haar problemen heeft verdrongen.

4.10.

De Raad stelt vast dat hier sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie, waarin het juist als gevolg van de aandoening van appellante, in combinatie met het ontbreken van de mogelijkheid langs een andere weg betrouwbare informatie te krijgen, uitermate moeilijk is gebleken zicht te krijgen op het functioneren van appellante in het verleden. De Raad acht het niet onaannemelijk dat Boothe, die langere tijd een behandelrelatie met appellante heeft gehad, ondanks de gesignaleerde problemen in staat is geweest meer relevante informatie van appellante te krijgen en beter inzicht in haar situatie te verwerven dan de deskundigen. De in 4.9 weergegeven stelling van Boothe, dat appellante zich pas tijdens haar behandeling bij het RIAGG bewust is geworden van haar psychische problemen en beperkingen en de verklaring die zij hiervoor heeft gegeven, komt de Raad voorts niet op voorhand onjuist of onbegrijpelijk voor.

4.11.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht de Raad het aangewezen uit te gaan van de lezing van Boothe en het ervoor te houden dat bij appellante pas in 2009, tijdens haar behandeling bij het RIAGG een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van haar aandoening en de gevolgen daarvan voor haar arbeidsgeschiktheid. Met appellante ziet de Raad hier een parallel met de zaak waarover de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 24 februari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL5751). De Raad tekent daarbij aan dat het gegeven dat appellante, zoals het Uwv heeft gesteld, in het verleden in staat is geweest andersoortige uitkeringen zoals studiefinanciering en bijstand aan te vragen niets zegt over de vraag of zij zicht had op haar problematiek en de consequenties daarvan voor haar vermogen om met arbeid inkomen te verwerven. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat zij zich voor de ene na de andere opleiding heeft ingeschreven, overigens zonder voor zover uit de stukken blijkt daarbij enig resultaat te bereiken.

4.12.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.11 is overwogen leidt tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit, voor zover aangevochten, ten onrechte in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep in zoverre gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. Voorts ziet de Raad aanleiding het besluit van 19 juni 2006, voor zover dat betrekking heeft op de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, te herroepen en te bepalen dat die uitkering ingaat [in]1993.

5.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Die kosten bestaan uit de kosten van rechtsbijstand in beide rechterlijke instanties tot een bedrag van in het totaal € 2.124,- en reiskosten van appellante tot een bedrag van € 44,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juni 2010, voor zover aangevochten, gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 7 juni 2010 in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 29 januari 2010 voor zover appellante daarbij een uitkering is toegekend met ingang van 9 oktober 2008;

  • -

    bepaalt dat aan appellante een uitkering toekomt met ingang van[in] 1993;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 29 januari 2010;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.168,20;

  • -

    bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 153,- wordt vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.I. van der Kris en

K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) Z. Karekezi

RH