Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
12-2026 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Geen aanleiding gelegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellant, voor onjuist te houden. Niet de (precieze) diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen zijn van belang voor een juiste beoordeling van de belastbaarheid. De geschiktheid van het eigen werk kan bij gebrek aan voldoende gegevens over de belasting daarvan niet goed worden beoordeeld. . De onderhavige weigering kan in elk geval worden gedragen door het daaraan subsidiair ten grondslag gelegde standpunt dat appellant, gegeven de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, in staat moet worden geacht de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit wordt berekend op 0%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2026 WIA

Datum uitspraak: 29 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

29 februari 2012, 11/8135 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts toegezonden

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2013. Voor appellant is verschenen mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zijn werkzaamheden van conciërge op 18 augustus 2008 gestaakt in verband met psychische klachten.

1.2.1. Ten einde de belastbaarheid van appellant voor arbeid vast te stellen heeft de verzekeringsarts psychiater R.L. Leta geraadpleegd voor een expertise. Deze psychiater is in zijn rapport van 27 oktober 2010 tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en borderline trekken. Naar aanleiding van de conclusies uit dit rapport heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant enige beperkingen heeft ten aanzien van het sociaal functioneren. Voorts heeft de verzekeringsarts enige fysieke beperkingen vastgesteld als gevolg van diabetes mellitus. De verzekeringsarts heeft een en ander vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft op basis hiervan vastgesteld dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk alsmede voor de geduide functies.

1.2.2. Bij besluit van 23 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 16 augustus 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML in verband met functionele beperkingen uit rugklachten en longklachten aangevuld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het arbeidskundig onderzoek heroverwogen. Hij is daarbij tot de conclusie gekomen dat appellant ongewijzigd geschikt is te achten voor zijn eigen werk en voor het vervullen van de door hem in bezwaar geselecteerde functies. Bij besluit van

8 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van

23 november 2010 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vooreerst overwogen dat tussen partijen geen voorwerp van geschil meer is dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de uit rugklachten voortvloeiende fysieke beperkingen. Wat de psychische belastbaarheid van appellant betreft, heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat aangesloten dient te worden bij de door de GGZ Midden-Holland (de GGZ) en zijn behandelaar, psychiater P. Chin A Foeng, vastgestelde diagnose depressieve stoornis. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de GGZ deze diagnose twee jaar voor de datum in geding heeft gesteld. De rechtbank heeft voorts overwogen dat Leta gemotiveerd heeft onderbouwd hoe hij tot de diagnose persoonlijkheidstoornis is gekomen en dat uit de verklaring van 1 december 2011 van

Chin A Foeng blijkt dat de behandelaar, evenals Leta, twijfelt over de betrouwbaarheid van de klachten van appellant. Chin A Foeng heeft er op gewezen dat het zeer lastig is om vast te stellen welk deel van het geobserveerde gedrag door welke elementen veroorzaakt wordt. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om meer gewicht toe te kennen aan de door Chin A Foeng gestelde diagnose. De rechtbank is verder niet gebleken dat het Uwv de uit rugklachten voorvloeiende psychische klachten heeft onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het medisch onderzoek van verzekeringsarts Groen van

26 maart 2010 en de omstandigheid dat appellant vanaf 2 mei 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt niet worden afgeleid dat het Uwv per datum in geding meer beperkingen had dienen aan te nemen, omdat deze beoordelingen niet zien op de datum in geding.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belasting in het eigen werk en de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

3.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn psychische klachten niet juist zijn gewaardeerd. Hij betoogt dat zijn psychische klachten te duiden zijn als een depressieve stoornis, recidiverend, matig. Hij heeft ter onderbouwing verwezen naar de voorhanden zijnde informatie van de GGZ, Chin A Foeng en het rapport van verzekeringsarts Groen. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad benadrukt dat appellant zich in februari 2011 vanwege diezelfde klachten opnieuw ziek heeft gemeld en dat het Uwv hem met ingang van 28 januari 2013 in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering. Appellant acht het daarom niet juist dat het Uwv hem per datum in geding niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat het geschil zich in hoger beroep toespitst op de vraag of de psychische belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld.

4.2.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, is geen aanleiding gelegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellant, voor onjuist te houden. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, worden onderschreven. In haar rapport van 12 juni 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de gronden van appellant in hoger beroep. De bezwaarverzekeringsarts heeft te kennen gegeven dat appellant geen nieuwe medische feiten heeft aangevoerd en slechts in termen van diagnoses spreekt en niet van beperkingen. Voor een toelichting waarom de medische informatie van Chin A. Foeng haar geen argumenten heeft gegeven tot een ander standpunt te komen, verwijst zij naar haar in beroep overgelegde rapport van 18 januari 2012. Er bestaat geen aanleiding de bezwaarverzekeringsarts niet in haar zienswijze te volgen. Daartoe wordt overwogen dat niet de (precieze) diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen van belang zijn voor een juiste beoordeling van de belastbaarheid. Appellant heeft in hoger beroep verder geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.

4.3.

De omstandigheid dat aan appellant met ingang van 18 januari 2013 een uitkering op grond van de Wet WIA is toegekend, brengt, anders dan appellant heeft betoogd, niet mee dat de vaststelling dat er voor appellant per 16 augustus 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA als onjuist moet worden bestempeld. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat de ziekmelding van appellant per 31 januari 2011 is gevolgd uit ander eigen werk en gelegen was in een toename van zijn rugklachten. De gemachtigde van appellant heeft deze toelichting niet weersproken.

4.4.

De Raad overweegt over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit dat de geschiktheid van het eigen werk bij gebrek aan voldoende gegevens over de belasting daarvan niet goed kan worden beoordeeld. De Raad laat dan ook in het midden of appellant hiervoor geschikt is. De onderhavige weigering om appellant een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen kan in elk geval gedragen worden door het daaraan subsidiair ten grondslag gelegde standpunt dat appellant, gegeven de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, op de datum in geding in staat moet worden geacht de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit wordt berekend op 0%. De motivering daarvoor is terug te vinden in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 september 2011. Het oordeel van de rechtbank dat de geduide functies passend zijn, is juist.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) S. Aaliouli

RH