Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
09-5021 WAO + 09-6759 WAO + 10-4224 WAO
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:936
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering (35-45%). 2) Herziening WAO-uitkering. De door de Raad geraadpleegde deskundige heeft geoordeeld dat hij zich kan verenigen met de aangepaste FML. De bevindingen van deze deskundige komen in grote lijnen overeenkomen met de bevindingen van de door appellant geraadpleegde KNO-arts. Uitgaande van de juistheid van de FML wordt geoordeeld dat de functies die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. De omstandigheid dat appellant naar eigen zeggen enige tijd nodig heeft om na een reis - gedoeld wordt op het woon-werkverkeer - te recupereren kan er niet toe leiden dat om deze reden de functies als ongeschikt moeten worden aangemerkt en de theoretische schatting geen stand kan houden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat reeds op een eerder tijdstip sprake was van toegenomen beperkingen. 3) Weigering WAO-uitkering te herzien. De klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn na 29 januari 2004 in vergelijking met daarvoor niet gewijzigd. Protocollen, zoals het Protocol CVS, zijn immers slechts bedoeld als hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5021 WAO, 09/6759 WAO en 10/4224 WAO

Datum uitspraak: 29 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van

6 augustus 2009, 09/81 en 09/1677 (aangevallen uitspraak 1) en 22 juni 2010, 09/4853 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft tegen beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

De Raad heeft KNO-arts dr. Tj.D. Bruintjes als deskundige benoemd. Nadat deze arts appellant had onderzocht, heeft hij 3 juli 2012 rapport uitgebracht.

Nadat het Uwv op dit rapport had gereageerd en appellant aanvullende gronden had ingediend, heeft de Raad de gedingen gevoegd behandeld op de zitting van 16 november 2012.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek heropend en dr. Bruintjes bij brief van 6 maart 2013 een aantal nadere vragen gesteld. Daarop heeft deze met een verklaring van 15 mei 2013 gereageerd. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv hierop gereageerd met een brief van

13 augustus 2013, met bijlagen.

De gedingen zijn andermaal gevoegd behandeld ter zitting van 27 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door A. [J.]. Het Uwv heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is treinsurveillant geweest voor 36 uur per week. Hij is in 2002 voor dat werk uitgevallen wegens vestibulaire klachten. Na afloop van de wachttijd is hem bij besluit van

13 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar, beroep en hoger beroep is dat besluit in rechte komen vast te staan. Een door appellant ingediend verzoek om herziening van de beslissing tot weigering hem een WAO-uitkering toe te kennen, is bij besluit van 5 september 2006 afgewezen. Ook dat besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in rechte komen vast te staan.

09 5024 WAO en 09/6757 WAO

1.2. Met een brief van 30 augustus 2007, met bijlagen, heeft appellant het Uwv wederom verzocht in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering, omdat er naar zijn mening sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Daarbij heeft hij gesteld dat er bij hem sprake is van een bilaterale labyrintuitval van evenwichtsorganen, de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS), migraine met vertigo, trombosebeen, lactose intolerantie, Factor V Leiden en hartritmestoornissen. Nadat appellant op het spreekuur van een verzekeringsarts was onderzocht, is deze arts in zijn rapport van 26 oktober 2007 tot de conclusie gekomen dat er na 8 januari 2003 geen periode van langer dan vier weken kan worden aangewezen waarin er bij appellant sprake is geweest van een toename van beperkingen. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2007 het verzoek van appellant afgewezen.

1.3. De bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick heeft in zijn rapport van 26 juni 2008 vastgesteld dat er bij appellant wel sprake is van een toename van beperkingen. De door hem voor appellant vastgestelde beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 april 2008. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige

P. van Kesteren in zijn rapport van 29 augustus 2008 op basis van een drietal theoretische functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 25 tot 35%. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 9 november 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Voorts is appellant bij dit besluit met ingang van 29 januari 2004 alsnog een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.

In beroep is bij besluit van 1 april 2009, in overeenstemming met een rapport van dezelfde datum van bezwaararbeidsdeskundige B. Altena, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 29 januari 2004 vastgesteld op 35 tot 45%.

3.1.

De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit van 1 april 2009 mede in de beoordeling betrokken.

3.2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het besluit van 5 december 2008. Met betrekking tot het beroep dat geacht kan worden te zijn gericht tegen het besluit van 1 april 2009 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de ingangsdatum van de toegenomen beperkingen terecht heeft vastgesteld op

1 januari 2004. De WAO-uitkering is dan ook terecht met ingang van 29 januari 2004 toegekend. Voorts heeft de rechtbank het door appellant gedane beroep op het gestelde in de brief van 5 november 2008, dat door de rechtbank is aangemerkt als een beroep op het vertrouwensbeginsel, verworpen. De rechtbank heeft evenmin consequenties verbonden aan de omstandigheid dat het Uwv bij zijn beslissingen de wettelijk voorgeschreven termijnen heeft overschreden. De stelling van appellant dat het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid een onjuist maatmanloon heeft gehanteerd is eveneens verworpen. Over de stelling van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit voor wat betreft de beperkingen die voortvloeien uit het CVS en de migraine niet opgaat. Met betrekking tot de vestibulaire klachten is overwogen dat door de bezwaarverzekeringsarts niet inzichtelijk is gemaakt waarom voor appellant geen beperkingen zijn vastgesteld als gevolg van zijn moeizame oriëntatie in schemer en/of duister. Voorts is in overweging genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de (mogelijke) relatie tussen enerzijds de beperkingen veroorzaakt door de moeizame oriëntatie in schemer en/of duister en anderzijds de visuele klachten onbesproken heeft gelaten en dat deze arts in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom appellant als gevolg van zijn lichtgevoeligheid geen beperkingen heeft. Daarnaast heeft de rechtbank de functie van inpakker ongeschikt geacht voor appellant, omdat naar het oordeel van de rechtbank de belastbaarheid van appellant op het item “staan” in deze functie wordt overschreden. Op grond van vorenstaande overwegingen met betrekking tot de vestibulaire klachten en lichtgevoeligheid, alsmede de ongeschiktheid van appellant voor de functie van inpakker, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 april 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

4.1.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank het beroep van appellant tegen de door het Uwv vastgestelde ingangsdatum van de toegenomen beperkingen en het door het Uwv gehanteerde maatmanloon heeft verworpen. Voorts is hij van mening dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de overschrijding van de wettelijke termijnen door het Uwv. Tevens is hij van mening dat zijn beroep op de brief van 5 november 2008 ten onrechte is verworpen. Het hoger beroep is eveneens gericht tegen de overwegingen van de rechtbank waarbij is geoordeeld dat hij als gevolg van het CVS en migraine niet meer beperkingen heeft dan zijn vastgesteld.

4.2.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts Van Gulick op 31 augustus 2009 rapport uitgebracht. Daarin is hij tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van de vestibulaire klachten niet meer beperkingen heeft dan zijn vastgesteld. Hij heeft dan ook geen aanleiding gezien de voor appellant op 24 april 2008 vastgestelde FML te wijzigen. Bezwaararbeidsdeskundige Altena heeft in zijn rapport van 30 november 2009 een drietal nieuwe functies voor appellant geselecteerd en op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 29 januari 2004 berekend op

25

tot 35%. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv bij besluit van

8 december 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarin is bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 29 januari 2009 ongewijzigd blijft vastgesteld op 35 tot 45%. Voorts is bepaald dat met ingang van de datum welke twee maanden en één dag is gelegen na de dagtekening van dit besluit de WAO-uitkering wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

4.3.

Aangezien appellant zich evenmin kan verenigen met het besluit van 8 december 2009, is dit besluit met toepassing van artikel 6:24 van de Awb, in samenhang met de artikelen 6:18 en 6.19 van de Awb mede in de beoordeling betrokken.

4.4.

Naar aanleiding van het in rubriek I vermelde rapport van 3 juli 2012 van dr. Bruintjes heeft bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman de FML op 30 augustus 2012 aangepast in die zin dat hij een aantal nadere beperkingen heeft vastgesteld. Na de verklaring van 15 mei 2013 van dr. Bruintjes heeft deze bezwaarverzekeringsarts op 21 juni 2013 de FML nogmaals aangepast. Op grond van deze laatste FML is bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt in haar rapport van 31 juli 2013 tot de conclusie gekomen dat de aan het besluit van 8 december 2009 ten grondslag gelegde functies nog steeds geschikt zijn voor appellant.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Deskundige dr. Bruintjes heeft in zijn rapport van 3 juli 2012 vastgesteld dat er bij appellant ten tijde van zijn onderzoek op KNO-gebied sprake was van een drietal aandoeningen:

  1. Een eenzijdige, ongecompenseerde vestibulaire uitval na een doorgemaakte neuritis vestibularis. Daarbij heeft hij opgemerkt dat deze aandoening meestal herstelt, maar bij minder dan 20% van de gevallen treedt geen volledig herstel op en resteren er restsymptomen. Bij appellant is dat laatste het geval doordat er bij hem nog sprake is van een balansprobleem;

  2. Visual vertigo, een vorm van chronische duizeligheid, waarbij symptomen verergeren in een “visueel drukke” omgeving. Deze aandoening is een gevolg van de neuritis vestibularis;

  3. Benigne paroxysmale positieduizeligheid (PPD), die hij ten tijde van zijn onderzoek niet heeft aangetroffen, maar die hij anamnestisch heeft vastgesteld.

5.2.

Vorenstaande aandoeningen waren naar zijn mening ook aanwezig op de voor dit geding van belang zijnde data 1 januari en 29 januari 2004. In zijn nadere verklaring van 15 mei 2013 heeft dr. Bruintjes te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellant door de bezwaarverzekeringsarts op 30 augustus 2012 aangepaste FML, met dien verstande dat appellant naar zijn mening ook beperkt is op het item “boven schouder actief zijn”. Voorts heeft hij, desgevraagd, te kennen gegeven dat het aannemelijk is dat appellant als gevolg van zijn aandoeningen tijdens/na een autorit duizeligheidsklachten krijgt en dat er een herstelperiode nodig is. Hoe lang die duurt, kan hij niet vermelden. Dat verschilt per individu.

5.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport en de daarop volgende verklaring geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Daarbij is in overweging genomen dat de bevindingen van deze deskundige in grote lijnen overeenkomen met de bevindingen van de door appellant geraadpleegde KNO-arts dr. A.A.W.M. Meulenbroeks.

5.4.

Nu de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 21 juni 2013 naar aanleiding van de nadere verklaring van dr. Bruintjes alsnog een beperking heeft opgenomen met betrekking tot het item “boven schouder actief zijn”, wordt geoordeeld dat deze FML, voor wat betreft de uit de vestibulaire klachten voortvloeiende beperkingen, geheel in overeenstemming is met de bevindingen van de deskundige. Op grond van de overige medische gedingstukken kan evenmin worden geoordeeld dat het Uwv in deze FML de beperkingen voortvloeiende uit de overige klachten, zoals onder meer CVS en migraine, heeft onderschat. Dit betekent dat de FML van 21 juni 2013 niet voor onjuist kan worden gehouden. De omstandigheid dat appellant naar eigen zeggen tijdens reizen duizelig wordt, kan niet tot een ander oordeel leiden. In deze FML is een beperking opgenomen op het item “vervoer” in die zin dat is vastgesteld dat appellant voor vervoer, waaronder woon-werkverkeer, is aangewezen op hulp van derden. De beperking betekent tevens dat appellant niet geschikt wordt geacht voor functies waarin hij beroepsmatig moet rijden. Geoordeeld wordt dat met deze beperking in voldoende mate wordt tegemoetgekomen aan de beperkingen van appellant ten aanzien van reizen, waarbij in overweging is genomen, zoals van de zijde van het Uwv is opgemerkt, dat hij eventueel voor woon-werkverkeer in aanmerking kan komen voor een vervoersvoorziening.

5.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML wordt geoordeeld dat de functies die aan het besluit van 8 december 2009 ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Met het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt van 31 juli 2013 is dit inzichtelijk en overtuigend toegelicht. De omstandigheid dat appellant naar eigen zeggen enige tijd nodig heeft om na een reis - gedoeld wordt op het woon-werkverkeer - te recupereren kan er niet toe leiden dat om deze reden de functies als ongeschikt moeten worden aangemerkt en de theoretische schatting geen stand kan houden.

5.6.

Voorts wordt op grond van de medische gedingstukken geoordeeld dat het Uwv de ingangsdatum van de toegenomen beperkingen terecht heeft vastgesteld op 1 januari 2004. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat reeds op een eerder tijdstip sprake was van toegenomen beperkingen. Dit betekent ingevolge het bepaalde van artikel 43a van de WAO dat de aan appellant toegekende WAO-uitkering terecht met ingang van 29 januari 2004 is toegekend.

5.7.

Met betrekking tot het beroep van appellant op de brief van 5 november 2008, waarin is bepaald dat appellant in aanmerking komt voor een WAO-(vervolg)uitkering die 70% van het dagloon bedraagt, overweegt de Raad dat deze informatie niet juist is geweest. Anders dan appellant heeft gesteld kan hij hieraan geen rechten ontlenen op een hogere uitkering, aangezien deze fout reeds bij het besluit van 5 december 2008 is gecorrigeerd en appellant van deze fout geen nadelige gevolgen heeft ondervonden. Aan de omstandigheid dat het Uwv de wettelijk voorgeschreven termijnen heeft overschreden kan appellant evenmin rechten ontlenen op een hogere uitkering.

5.8.

Ten slotte wordt geoordeeld dat het door het Uwv gehanteerde maatmanloon van € 15,10 per uur niet voor onjuist kan worden gehouden. Appellant heeft de door het Uwv gegeven motivering niet overtuigend bestreden.

5.9.

Uit hetgeen is overwogen in 5.2. tot en met 5.8. volgt dat aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd en dat het beroep tegen het besluit van

8 december 2009 ongegrond moet worden verklaard.

10 4224 WAO

6.

Met een brief van 23 oktober 2008, met bijlagen, heeft appellant zich andermaal tot het Uwv gericht met een verzoek om herziening van zijn WAO-uitkering, omdat er naar zijn mening wederom sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. In overeenstemming met een rapport van 28 januari 2009 van verzekeringsarts B. Frenay van Maasdam heeft het Uwv bij besluit van 28 april 2009 dit verzoek afgewezen. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is, na een rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Gulick van

5 oktober 2009, bij besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard.

7.

Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard.

8.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een toename van zijn beperkingen. Met name vanwege het CVS, waarbij hij heeft verwezen naar het Protocol CVS, is er naar zijn mening sprake van een toename van zijn beperkingen.

9.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

9.1.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt van het Uwv dat de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen na 29 januari 2004 in vergelijking met daarvoor niet zijn gewijzigd. Dit standpunt kan, gelet op de beschikbare medische gegevens, niet voor onjuist worden gehouden. Met betrekking tot het beroep van appellant op het Protocol CVS wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld

20 augustus 2010, ECLI:CRVB:2010:BN4858 en 8 december 2010, ECLI:CRVB:2010:BO7222) een (bezwaar)verzekeringsarts niet gehouden is om in zijn of haar rapport elk punt van het protocol te benoemen. Protocollen, zoals het Protocol CVS, zijn immers slechts bedoeld als hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Nu uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen duidelijk blijkt dat deze artsen de vermoeidheidsklachten van appellant in hun beoordeling hebben betrokken, kan het beroep van appellant op dit protocol niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

10.

Voor een proceskostenbeoordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 december 2009 ongegrond;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

sg