Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
13-1936 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1936 BESLU, 13/1937 BESLU

Datum uitspraak: 28 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van de commissie van 9 april 2010, kenmerk 0002436/CAOR. Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Bij uitspraak van 18 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7876, heeft de Raad op dit beroep beslist. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat is op 26 juni 2013 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Hier is namens verzoeker door mr. Van Berkel bij brief van 19 juli 2013 op gereageerd. Namens de commissie is op 6 juni 2013 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Hierop is namens verzoeker door mr. Van Berkel bij brief van 28 juni 2013 een reactie gegeven. Op die reactie is namens de commissie bij brief van 12 juli 2013 gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

In zijn uitspraak van 18 april 2013 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 8 juli 2009 tot aan de datum van bedoelde uitspraak ruim drie jaar en negen maanden zijn verstreken. Dit is meer dan de twee en een half jaar die in beginsel geldt voor een procedure in twee instanties. Verder is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.

2.

Namens de Staat is erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase met elf maanden is overschreden en dat betrokkene in verband daarmee een vergoeding van € 1.000,- toekomt.

3.

De commissie heeft erkend dat de behandeling van het bezwaar negen maanden en drie dagen heeft geduurd. Zij is echter van oordeel dat daarvan één maand en zeven dagen niet aan haar is toe te rekenen vanwege het opschorten van de beslistermijn in verband met het ontbreken van de bezwaargronden.

4.

Betrokkene heeft, onder verwijzing naar overweging 4.3 van de uitspraak van 18 april 2013, naar voren gebracht dat de behandeltermijn in de bezwaarfase ruim negen maanden heeft bedragen en niet ongeveer acht maanden, zoals de commissie stelt. Daarbij heeft betrokkene te kennen gegeven dat ook uitgaande van een duur van ruim negen maanden de behandelingsduur met niet meer dan een half jaar is overschreden. Wat betreft de rechterlijke fase kan betrokkene zich met de door de Staat vastgestelde vergoeding verenigen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Vaststaat dat de behandeling van het bezwaar langer heeft geduurd dan het half jaar dat in het kader van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM gerechtvaardigd is. Tevens staat vast dat deze overschrijding minder dan een half jaar heeft bedragen. Met betrekking tot de periode van opschorting in afwachting van de motivering van het bezwaar wordt daarom volstaan met de constatering dat die periode niet van invloed is op de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. In de onderhavige procedure wordt geen reden gezien voor verhoging of verlaging van dit basisbedrag.

5.3.

Uit overwegingen 5.1 en 5.2 volgt dat de commissie moet worden veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 500,-.

5.4.

Verder komt aan betrokkene een bedrag toe van € 1.000,- in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, te betalen door de Staat.

6.

De Raad ziet tot slot aanleiding om de Staat en de commissie te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor verleende rechtsbijstand, door de Staat en de commissie elk voor de helft te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene van € 1.000,-;

- veroordeelt de commissie tot betaling van schadevergoeding aan betrokkene van € 500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 236,-;

- veroordeelt de commissie in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD