Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
12-2741 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken om toekenning van de toelage medisch specialist, alsmede om toewijzing van een kolonelsfunctie en bevordering tot kolonel. In artikel 7, eerste lid, van de IRM worden onder officier-medisch specialist uitsluitend officieren verstaan die de hoedanigheid van specialist in de zin van de Wet BIG bezitten. Op grond hiervan was toekenning van een specialistentoelage uitgesloten. Geen strijd met rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Anti-hardheidsclausule. Geen overwegende onbillijkheid waarin de minister aanleiding had moeten vinden om hem financieel tegemoet te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2741 MAW, 12/2742 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage van 28 maart 2012, 10/8524 en 10/5028 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant Luchtstrijdkrachten (commandant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant en de minister hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Appellant is verschenen. De commandant en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant was (bedrijfs)arts bij de Koninklijke Luchtmacht in de rang van luitenant-kolonel. Op 1 november 2005 is hij begonnen met de opleiding tot arts spoedeisende hulp (SEH). De commandant heeft hem bij besluit van 7 december 2005 geplaatst in de functie Opleiding medisch specialist en hem bij besluit van 20 januari 2006 bestemd voor het volgen van de medisch specialistenopleiding "Arts Spoedeisende Hulp" te [plaatsnaam]. Na de opleiding met goed gevolg te hebben doorlopen, is appellant per 1 januari 2010 ingeschreven in het Profielregister spoedeisende geneeskunde van de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC) van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG).

1.2.

Bij rekest van 7 april 2010 heeft appellant verzocht om toekenning van de toelage medisch specialist, alsmede om toewijzing van een kolonelsfunctie en bevordering tot kolonel. Bij besluit van 9 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2010 (bestreden besluit 1), heeft de commandant deze verzoeken afgewezen. Daartoe is  samengevat  overwogen dat appellant als SEH-arts geen medisch specialist is en dat bij hem geen vertrouwen is gewekt op grond waarvan hij als zodanig moet worden behandeld.

1.3.

Voor zover appellant subsidiair had verzocht om financieel in de positie te worden gebracht als ware hij bevorderd tot kolonel, heeft de commandant het bezwaarschrift doorgezonden aan de minister, ter behandeling als een verzoek om toepassing van de

anti-hardheidsclausule neergelegd in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen (IBM). Bij besluit van 25 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit 2), heeft de minister dit verzoek afgewezen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

Toelage en bevordering

3.1.

In artikel 7, eerste lid, van de Inkomstenregeling militairen (IRM) is bepaald dat de officier-medisch specialist die de verplichting op zich heeft genomen om in zijn hoedanigheid van medisch specialist geen werkzaamheden tegen enigerlei vergoeding of beloning te (doen) verrichten gedurende de voor hem geldende werktijden dan die welke voortvloeien uit zijn militaire betrekking of waartoe de minister opdracht of machtiging heeft verleend, aanspraak heeft op een toelage.

3.2.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de IRM wordt  voor zover hier van belang  onder officier medisch specialist verstaan: de officier die is ingeschreven als medisch specialist in het register van de MSRC van de KNMG en die als zodanig werkzaam is. Dit artikelonderdeel is met ingang van 28 april 2010 aan de IRM toegevoegd en nadien verletterd tot onderdeel h.

3.3.

Niet in geschil is, dat het Profielregister spoedeisende geneeskunde geen erkend specialistenregister is als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, in samenhang met de artikelen 14 en 16 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Ook anderszins is appellant niet in zo'n erkend register ingeschreven. Dit betekent dat hij niet kan worden aangemerkt als (medisch) specialist in de betekenis die daaraan voor de toepassing van de Wet BIG moet worden toegekend.

3.4.

De commandant stelt zich op het standpunt dat in artikel 7, eerste lid, van de IRM onder officier-medisch specialist uitsluitend officieren worden verstaan die de hoedanigheid van specialist in de zin van de Wet BIG bezitten. De Raad kan de commandant daarin volgen. De Wet BIG neemt wat betreft toelating en titulatuur op het terrein van de individuele gezondheidszorg een centrale plaats in. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in artikel 7, eerste lid, van de IRM een begrip medisch specialist wordt gehanteerd dat van die wet afwijkt. Evenmin is gebleken dat bij de toepassing van het artikellid in de praktijk afwijkend beleid wordt gevoerd. Ook als bedrijfsarts ontving appellant geen specialistentoelage. Dat er bij Defensie vele soorten "specialisten" werkzaam zijn, zoals appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Degenen op wie appellant doelt, zijn geen specialisten op medisch vakterrein.

3.5.

Een en ander betekent dat appellant reeds op grond van de  bestaande  tekst van artikel 7, eerste lid, van de IRM van toekenning van een specialistentoelage was uitgesloten. De toevoeging van onderdeel i aan artikel 1 van de IRM heeft daaraan niets veranderd. Daarom kan in het midden blijven of onderdeel i, gelet op de datum van het inleidende rekest, in het geval van appellant van toepassing is. Van het veranderen van de spelregels gedurende het spel, zoals appellant stelt, is hoe dan ook geen sprake.

3.6.

Appellant heeft een beroep gedaan op het rechtszekerheids en het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt niet, om de volgende redenen.

3.6.1.

Toen appellant in 2005 met de opleiding begon, was er voor SEH-artsen geen erkend specialistenregister en ook nog geen profielregister. Niet is gebleken dat destijds bij de bevoegde instanties enig uitgekristalliseerd voornemen bestond om voor de opleiding tot SEH-arts een specialistenregister in te stellen. De discussie over de positie van de SEH-arts is binnen de KNMG in 2006‑2007 gevoerd. In oktober 2008 is besloten tot instelling van het profielregister. Voor de afzienbare toekomst was registratie als specialist daarmee van de baan. Appellant heeft dan ook op geen enkel moment vóór of tijdens de opleiding de concrete en objectief gerechtvaardigde verwachting kunnen koesteren dat hij als SEH-arts in een specialistenregister zou worden opgenomen.

3.6.2.

Aan de omstandigheid dat hij door de commandant was geplaatst in de functie "Opleiding medisch specialist" en was aangewezen voor het volgen van een "medisch specialistenopleiding", mocht appellant niet de gevolgtrekking verbinden dat hij na voltooiing van de opleiding voor een toelage en een functie als medisch specialist in aanmerking zou komen. Het plaatsings- en het aanwijzingsbesluit waren daarop in het geheel niet gericht. Het ging hier enkel om besluiten met een organisatorisch karakter. De daarin gebruikte terminologie is  mede bezien tegen de onder 3.6.1 geschetste achtergrond kennelijk aan het algemene spraakgebruik ontleend en niet toegespitst op het specifieke begrip (medisch) specialist in de Wet BIG en de IRM.

3.6.3.

Uit hetgeen naar voren is gekomen over gesprekken die appellant in de loop der tijd met leidinggevenden heeft gevoerd, valt evenmin af te leiden dat hem toezeggingen zijn gedaan waaraan de commandant thans zou zijn gebonden. Daarbij is reeds doorslaggevend dat noch de coördinator SEH, noch de vakoudste, de bevoegdheid heeft om over toekenning van een specialistentoelage of toewijzing van een functie als medisch specialist te beslissen. Appellant heeft dit kunnen en moeten begrijpen. Bovendien zijn de beweerde toezeggingen niet op schrift gesteld, zodat de strekking ervan niet is na te gaan. Voorstelbaar is, dat de leidinggevenden persoonlijk van mening waren dat appellants inspanningen om zich als

SEH-arts te bekwamen extra dienden te worden gehonoreerd. Alle betrokkenen had echter duidelijk kunnen zijn dat de geldende regelgeving daarvoor geen ruimte bood.

3.7.

Het verzoek om een specialistentoelage is dus op goede gronden afgewezen. In het verlengde daarvan konden toewijzing van een kolonelsfunctie en bevordering naar die rang in redelijkheid worden geweigerd. Bestreden besluit 1 houdt in rechte stand.

Anti-hardheidsclausule

3.8.

Ingevolge artikel 26 van het IBM kan de minister, indien de billijkheid dat vordert, de militair schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming toekennen. De toepassing van deze bepaling kan door de bestuursrechter slechts met terughoudendheid worden getoetst (CRvB 6 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1942).

3.9.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd, wijst niet op een overwegende onbillijkheid waarin de minister aanleiding had moeten vinden om hem financieel tegemoet te komen. Uit de regelgeving vloeit nu eenmaal een beduidend verschil voort tussen de bezoldiging van een officier-medisch specialist en die van een "gewone" officier-arts, met wie de arts SEH in de IRM op één lijn staat. Voor zover deze kloof als onterecht wordt ervaren, is het niet aan de bestuursrechter om daarin te voorzien. Aan de  op rijkskosten verworven  hoedanigheid van arts SEH zijn voor appellant ook voordelen verbonden, al liggen deze voorlopig slechts in de immateriële sfeer.

3.10.

Bestreden besluit 2 houdt dus eveneens in rechte stand.

Conclusie

3.11.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en K.J. Kraan en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) B. Rikhof

HD