Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
11-7252 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Plaatsing en benoeming. Van overtolligheid als bedoeld in artikel 49e van het ARAR en artikel 1.14.4.1 van het RPVB was geen sprake, nu betrokkene zijn eigen functie van medewerker [naam functie] bij de FIOD kon blijven uitoefenen in [plaatsnaam 2]. Nadat betrokkene het aanbod van de Staatssecretaris had afgewezen om zijn functie, met toekenning van reistijdcompensatie en gebruik van een dienstauto, in [plaatsnaam 2] voort te zetten, heeft de Staatssecretaris betrokkene een functie toebedeeld in zijn eigen standplaats [plaatsnaam 1] bij de Belastingdienst in dezelfde Groepsfunctie F als zijn oude functie. Betrokkene was op grond van artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR verplicht deze passende functie te aanvaarden. Individuele ambtenaren ontlenen hun rechtspositionele aanspraken niet aan een arbeidsvoorwaardenakkoord, maar aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften. 2) Faciliteiten. Nu betrokkene als gevolg van het plaatsingsbesluit en het benoemingsbesluit niet meer beschikte over de status van aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012, bestond ten tijde van bestreden besluit 2 geen grond voor toekenning van de aan deze status verbonden faciliteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7252 AW, 11/7258 AW, 11/7573 AW, 12/31 AW

Datum uitspraak: 28 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
22 november 2011, 10/1825 en 10/2546 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. Betrokkene is verschenen. De Staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Populiers en mr. R.P.M. Geertman.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 december 2004 benoemd tot medewerker [naam functie] in het team [naam team] met als standplaats [plaatsnaam 1] bij de

Belastingdienst/FIOD-ECD.

1.2. In maart 2009 heeft de Belastingdienst/FIOD-ECD een verander- en reorganisatieprogramma gestart. De veranderingen richten zich in hoofdzaak op het primaire proces Opsporing. Om de flexibiliteit te vergroten is besloten tot schaalvergroting, met als gevolg een kleiner aantal opsporingsteams, vergroting van de opsporingsteams, een aantal groeilocaties (waaronder [plaatsnaam 2]) en een aantal krimplocaties (waaronder [plaatsnaam 1]).

1.3. Bij brief van 20 mei 2009 zijn alle medewerkers werkzaam binnen de teams Opsporing, onder meer onder verwijzing naar het ‘Plaatsingsplan Medewerkers in de teams Opsporing 2010’ van 7 april 2009, geïnformeerd over de wijze van toedeling van functies per 1 januari 2010.

1.4. Bij brief van 30 oktober 2009 heeft de Staatssecretaris betrokkene meegedeeld voornemens te zijn hem met ingang van 1 januari 2010 te plaatsen in de groepsfunctie F bij de Belastingdienst/Noord, kantoor [plaatsnaam 1].

1.5. Nadat betrokkene bij brief van 4 november 2009 te kennen had gegeven zich niet in de voorgenomen plaatsing te kunnen vinden, heeft de Staatssecretaris bij brief van 1 december 2009 de definitieve toedeling uitgesteld tot uiterlijk 1 april 2010.

1.6. Betrokkene heeft bij brief van 22 januari 2010 verzocht om de volgende faciliteiten: volledige vergoeding van de opleidingskosten en volledig studieverlof voor de academische studie tot register EDP-auditor, trajectbegeleiding, ontheffing van de terugbetalingsverplichting inzake opleidingskosten en voorrangsrecht bij vacaturevervulling.

1.7. Bij besluit van 1 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit 1), heeft de Staatsecretaris het verzoek om faciliteiten afgewezen. Aan bestreden besluit 1 ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Betrokkene heeft geen recht op trajectbegeleiding - het opstellen van een mobiliteitsplan - en komt geen voorrangsrecht bij vacaturevervulling toe, nu betrokkene zonder wijziging van standplaats kan worden geplaatst en van boventalligheid geen sprake is. Voorts voldoet betrokkene niet aan de voorwaarden voor toekenning van volledige vergoeding van studiekosten en volledig scholingsverlof en is deze voorziening, anders dan betrokkene stelt, niet bedoeld voor verticale mobiliteit, maar om te voorkomen dat de ambtenaar herplaatsingskandidaat wordt. Van ontheffing van de verplichting tot terugbetaling van studiekosten kan tot slot geen sprake zijn, omdat er geen terugbetalingsverplichting op betrokkene rust.

1.8. Bij besluiten van 26 april 2010 en 29 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 november 2010 (bestreden besluit 2), heeft de Staatssecretaris betrokkene geplaatst bij de Belastingdienst/Noord, kantoor [plaatsnaam 1] in groepsfunctie F, sector materiële risico’s, en benoemd tot behandelfunctionaris. Aan bestreden besluit 2 ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Voor de betrokken medewerkers is fase 2 van het Sociaal Flankerend Beleid van toepassing. Fase 2 is er op gericht om boventalligheid, gedwongen functiewijziging en/of gedwongen standplaatswijziging te voorkomen. Van een gedwongen functiewijziging of gedwongen standplaatswijziging is geen sprake. Betrokkene was en is groepsfunctionaris F en blijft binnen de standplaats [plaatsnaam 1] werken. De grondslag voor de plaatsing en benoeming van betrokkene is artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. De rechtbank heeft ten aanzien van de plaatsing en benoeming, samengevat, het volgende overwogen. Betrokkene is overtollig geworden op de locatie [plaatsnaam 1]. De Staatssecretaris heeft de beschikbare plaatsen op de locatie [plaatsnaam 1] terecht op basis van het anciënniteitsbeginsel toebedeeld. De Staatssecretaris heeft betrokkene aangeboden dezelfde functie op de FIOD-locatie in [plaatsnaam 2] voort te zetten, maar betrokkene heeft dit geweigerd. De Staatsecretaris heeft betrokkene vervolgens de functie bij de Belastingdienst toebedeeld. Nu dit geen gelijke of gelijksoortige functie is, maar een gelijkwaardige functie in de zin van 1.14.4.1 van hoofdstuk 3 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB), kon plaatsing en benoeming niet plaatsvinden zonder betrokkene aan te wijzen als herplaatsingskandidaat. Bestreden besluit 1 kan daarom niet in stand blijven. Indien betrokkene wel was aangewezen als herplaatsingskandidaat, was hij op grond van artikel 49j, tweede lid, van het ARAR verplicht geweest de toebedeelde functie te aanvaarden, omdat dit een passende functie in de zin van artikel 49h van het ARAR betreft. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand worden gelaten. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 vernietigd op de grond dat bestreden besluit 1 is vernietigd en ook de afwijzing van het verzoek om faciliteiten met name op de besluiten tot plaatsing en benoeming is gebaseerd. Omdat de plaatsing en benoeming in stand blijven, is daarmee de status van aangewezen ambtenaar dan wel herplaatsingskandidaat komen te vervallen, zodat betrokkene thans geen aanspraak meer kan maken op de in het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 voorziene faciliteiten waarom door betrokkene is verzocht. De rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 worden daarom eveneens in stand gelaten.

3.1.

De Staatssecretaris heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de bestreden besluiten ten onrechte heeft vernietigd. Hiertoe heeft de Staatssecretaris, samengevat, het volgende aangevoerd. Betrokkene hoefde niet als herplaatsingskandidaat te worden aangemerkt. Er is immers geen overtolligheid ontstaan, nu betrokkene zijn oude functie kon uitoefenen in [plaatsnaam 2]. Er is geen sprake van een gedwongen functiewijziging, omdat betrokkene groepsfunctionaris F was en dat is gebleven. Er was evenmin sprake van een gedwongen standplaatswijziging. De FIOD is onderdeel van de Belastingdienst en om die reden kan breder worden gekeken dan alleen de FIOD. Nu de plaatsing en benoeming op juiste gronden berust, bestond verder geen grond voor toekenning van de gevraagde faciliteiten.

3.2.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand zijn gelaten en geen schadevergoeding aan hem is toegekend. De kern van het betoog van betrokkene in hoger beroep is de volgende. De reorganisatie heeft zich in fase 2 voltrokken. Die fase is erop gericht te voorkomen dat herplaatsingskandidaten moeten worden aangewezen. In die fase kan alleen op basis van vrijwilligheid een andere functie worden toebedeeld, zoals blijkt uit de Overeenkomst loopbaanondersteuning, arbeidsmarkt, aanpassing BMWW en sociaal flankerend beleid 2008-2012. Betrokkene is dan ook ten onrechte gedwongen de functiewijziging te aanvaarden. Ook zijn hem ten onrechte de gevraagde faciliteiten onthouden, waarop hij in fase 2 recht heeft.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De plaatsing en benoeming

4.1.

Bestreden besluit 1 is gebaseerd op artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Ingevolge deze bepaling is, wanneer het belang van de dienst zulks vordert, de ambtenaar verplicht een andere passende functie te aanvaarden overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h indien het gaat om een verplaatsing in het kader van een reorganisatie.

4.2.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de Staatssecretaris ten onrechte toepassing heeft gegeven aan deze bepaling en betrokkene als herplaatsingskandidaat had moeten aanwijzen, deelt de Raad dit oordeel niet. Van overtolligheid als bedoeld in artikel 49e van het ARAR en artikel 1.14.4.1 van het RPVB was immers geen sprake, nu betrokkene zijn eigen functie van medewerker [naam functie] bij de FIOD kon blijven uitoefenen in [plaatsnaam 2]. Nadat betrokkene het aanbod van de Staatssecretaris had afgewezen om zijn functie, met toekenning van reistijdcompensatie en gebruik van een dienstauto, in [plaatsnaam 2] voort te zetten, heeft de Staatssecretaris betrokkene een functie toebedeeld in zijn eigen standplaats [plaatsnaam 1] bij de Belastingdienst in dezelfde Groepsfunctie F als zijn oude functie. Betrokkene was op grond van artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR verplicht deze passende functie te aanvaarden.

4.3.

Betrokkene heeft betoogd dat uit de Overeenkomst loopbaanondersteuning, arbeidsmarkt, aanpassing BMWW en sociaal flankerend beleid 2008-2012 volgt dat in fase 2 alleen op basis van vrijwilligheid een functie kan worden toebedeeld, zodat hij niet verplicht was de toebedeelde functie te aanvaarden. Dit betoog treft geen doel, reeds omdat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BP1479) individuele ambtenaren hun rechtspositionele aanspraken niet ontlenen aan een arbeidsvoorwaardenakkoord, maar aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat ten aanzien van de plaatsing en benoeming het hoger beroep van de Staatssecretaris slaagt en het hoger beroep van betrokkene niet. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 ten onrechte vernietigd.



De faciliteiten

4.5.

De rechtbank heeft bestreden besluit 2 vernietigd op de grond dat bestreden besluit 1 is vernietigd en ook de afwijzing van het verzoek om faciliteiten met name op de besluiten tot plaatsing en benoeming zijn gebaseerd.

4.6.

Zoals in 4.5 is geoordeeld, heeft de rechtbank bestreden besluit 1 ten onrechte vernietigd. Verder heeft de Staatssecretaris bij de beoordeling van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om faciliteiten terecht betekenis toegekend aan de plaatsing en benoeming van betrokkene in de functie bij de Belastingdienst. Nu betrokkene als gevolg van het plaatsingsbesluit van 26 april 2010 en het benoemingsbesluit van 29 april 2010 niet meer beschikte over de status van aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012, bestond ten tijde van bestreden besluit 2 geen grond voor toekenning van de aan deze status verbonden faciliteiten. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraak van 8 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1358. Het bezwaar is dan ook terecht ongegrond verklaard.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat ten aanzien van de faciliteiten het hoger beroep van de Staatssecretaris slaagt en het hoger beroep van betrokkene niet. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ten onrechte vernietigd.

Slotconclusie


4.8. Uit 4.4 en 4.6 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten alsnog ongegrond verklaren.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 9 juli 2010 en 4 november 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en E.J.M. Heijs en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) T.A. Meijering

HD