Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
12-329 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage Zvw. Woonlandfactor. Overschrijding van de termijn bedoeld in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering. Bedoeld artikellid bevat geen fatale termijn. Geen schending van rechtszekerheidsbeginsel. Appellant wist of kon redelijkerwijs weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Appellant heeft door de termijnoverschrijding geen nadeel geleden, nu het Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/329 ZVW

Datum uitspraak: 27 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 december 2011, 11/653 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (Frankrijk) (appellant)

het College voor Zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellant is niet verschenen. Het Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.A. Rood.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant woonde ten tijde hier van belang in Frankrijk.

1.2. Met ingang van 1 januari 2006 is in Nederland de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Ingevolge de Zvw is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 aangemerkt en heeft hij recht op zorg in zijn woonland ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. De hoogte van de buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland

(de woonlandfactor). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij met ingang van

1 januari 2006 in Frankrijk is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

1.3. Bij besluit van 22 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2007 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 3.753,26, waarvan nog € 625,96 door appellant moest worden voldaan.

1.4. Het door appellant tegen het besluit van 22 maart 2010 ingediende bezwaar is door het Cvz bij besluit van 5 januari 2011 ongegrond verklaard. Het Cvz heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat op het niet tijdig vaststellen van de definitieve jaarafrekening in de

wet- en regelgeving geen sanctie is gesteld. In het onderhavige geval is de bijdrage vastgesteld omdat de Stichting Shell Pensioenfonds (S.S.P.) minder bijdrage op het pensioen van appellant heeft ingehouden dan zou hebben gemoeten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

5 januari 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens schending van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Wel zijn de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, waartoe de rechtbank heeft overwogen, voor zover van belang, dat niet relevant is dat appellant van de te lage inhouding door het S.S.P. geen verwijt kan worden gemaakt. Niet is gebleken dat de definitieve bijdrage onjuist zou zijn berekend. Dat appellant als gevolg van de late vaststelling in Frankrijk meer belasting heeft moeten betalen dan wanneer de bijdrage tijdig zou zijn vastgesteld is gesteld, maar niet onderbouwd. De beslissing op bezwaar is weliswaar te laat genomen, maar appellant zou het Cvz in gebreke hebben kunnen stellen, waarna voor hem de mogelijkheid ontstond beroep in te stellen tegen het uitblijven van een tijdige beslissing. Die weg heeft appellant niet bewandeld.

3.

In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde gronden herhaald en onderbouwd.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Aan appellant kan worden toegegeven dat hem er geen verwijt van valt te maken dat de S.S.P. een te laag bedrag op zijn pensioen heeft ingehouden. Dit kan echter niet tot de conclusie leiden dat het Cvz geen bijdrage ten laste van appellant mocht vaststellen. Het totaal van de aanvankelijk door S.S.P. ingehouden bedragen en het bedrag dat het Cvz bij de vaststelling van de buitenlandbijdrage van appellant heeft gevorderd is immers gelijk aan het bedrag dat appellant blijkens de berekening van het Cvz aan bijdrage verschuldigd was. Appellant heeft dat laatste ook erkend. Dat de definitieve bijdrage ruim € 600,- hoger is dan de voorlopig vastgestelde bijdrage is te verklaren uit het gegeven dat de bij de vaststelling gehanteerde inkomensgegevens verschillend zijn. Bij de voorlopige vaststelling is immers uitgegaan van een pensioen van S.S.P. van € 25.519,-, terwijl dat pensioen blijkens de definitieve vaststelling € 30.623,- bedroeg.

4.2.

Dat appellant als gevolg van de onjuiste inhoudingen meer belasting heeft moeten betalen is door hem wel gesteld, maar de in hoger beroep overgelegde bewijzen geven onvoldoende houvast appellant in deze stelling te volgen. Appellant kan zich verstaan met de Franse belastingdienst of een belastingconsulent teneinde te onderzoeken of de buitenlandbijdrage in het jaar waarin deze is betaald kan worden verrekend met de verschuldigde belasting in dat jaar.

4.3.

Appellant kan wel worden gevolgd in zijn stelling dat het Cvz niet tijdig op zijn bezwaarschrift heeft beslist. Cvz heeft daarvoor excuses aangeboden en afgezien van het heffen van rente over de buitenlandbijdrage. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van

26 januari 2009 (LJN BH1009) overweegt de Raad voorts dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In dit geval is de procedure begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van 9 april 2010 en zal eindigen op de dag van deze uitspraak, 27 november 2013. De termijn van vier jaar is dus niet overschreden.

4.4.

Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de conclusie dat de tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde grieven niet slagen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.J. Penning

RH