Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
11-3471 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geïndiceerde zorg. Uit de brieven van de kinderarts en de brief van de revalidatiearts blijkt weliswaar dat toezicht en verzorging voor appellant noodzakelijk zijn, maar niet dat de geïndiceerde uren voor toezicht en verzorging niet voldoende zijn. De kinderarts heeft te kennen gegeven dat op spitsuren in het gezin extra ondersteuning nodig is. Door de revalidatiearts is te kennen gegeven dat appellant veel persoonlijke verzorging nodig heeft. Het namens appellant gevoerde betoog dat CIZ niet had mogen volstaan met een indicatie voor toezicht binnen de functie begeleiding treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3471 AWBZ

Datum uitspraak: 27 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 mei 2011, 10/5048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013.Voor appellant is verschenen diens vader [naam vader], bijgestaan door mr. Wernik. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op 12 december 1994, heeft ernstige geestelijke en lichamelijke beperkingen. Appellant woont thuis en is voor zijn dagelijkse verzorging volledig afhankelijk van anderen.

1.2.

Namens appellant is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) op 29 juli 2009 verlenging van een indicatie voor zorg aangevraagd. Appellant heeft gevraagd om de volgende zorgfuncties:

-persoonlijke verzorging klasse 7 (16 tot 19,9 uur per week)

-ondersteunende begeleiding dag klasse 2 (2 dagdelen per week)

-activerende begeleiding dag klasse 9 (9 dagdelen per week)

-ondersteunende begeleiding algemeen klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week)

-verblijf tijdelijk klasse 2 (2 etmalen per week).

1.3.

CIZ heeft bij besluit van 17 maart 2010 voor de periode van 1 april 2010 tot

18 februari 2015 de volgende indicatie afgegeven:

-persoonlijke verzorging klasse 6 (13 tot 15,9 uur per week)

-begeleiding groep klasse 9 (9 dagdelen per week)

-verblijf tijdelijk klasse 2.

1.4.

Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door CIZ bij besluit van

18 augustus 2010 (bestreden besluit) gegrond verklaard. CIZ heeft de indicatie voor persoonlijke verzorging verhoogd van klasse 6 naar klasse 7 en een indicatie voor begeleiding individueel in klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week) toegevoegd.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. CIZ beschikte over voldoende medische gegevens. Van de kant van appellant is niet met medische verklaringen onderbouwd dat de zorg ontoereikend is. De rechtbank acht de geïndiceerde zorg toereikend. De wijziging van de zorgindicatie ten opzichte van 2008 komt voort uit een versobering van de AWBZ als gevolg van een wetswijziging (bezuinigingsmaatregel). De rechtbank kan een dergelijk effect niet teniet doen.

3.

In hoger beroep heeft appellant samengevat, het volgende aangevoerd. De indicatie voor begeleiding is onvoldoende. Op de dagen dat appellant thuis is zijn er vijf kinderen thuis, waarvan twee gehandicapt en drie met een jonge leeftijd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat namens appellant geen bewijs is geleverd dat de geïndiceerde zorg ontoereikend zou zijn. Namens appellant zijn ter ondersteuning medische verklaringen ingebracht van de kinderarts en de revalidatiearts.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de omvang van de indicatie voor de functie begeleiding. Appellant is binnen de functie begeleiding geïndiceerd voor de activiteit toezicht. Binnen de functie begeleiding kan ook geïndiceerd worden voor ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, dan wel het voeren van regie en het ondersteunen bij praktische vaardigheden ten behoeve van zelfredzaamheid, dan wel het oefenen met deze activiteiten. Voor deze activiteiten is appellant niet geïndiceerd. Het rapport van de medisch adviseur van CIZ, de arts J.E. Barth, biedt hiervoor geen ondersteuning. De brieven van de kinderarts
H.H. Kiezebrink-Lindenhovius van 15 september 2011 en de brief van de revalidatiearts
B.S. Bakker-Hatten van 20 september bieden hiervoor evenmin een aanknopingspunt. Uit deze brieven blijkt weliswaar dat toezicht en verzorging voor appellant noodzakelijk zijn, maar niet dat de geïndiceerde uren voor toezicht en verzorging niet voldoende zijn. De kinderarts Kiezebrink-Lindenhovius heeft te kennen gegeven dat op spitsuren in het gezin extra ondersteuning nodig is. Door Bakker-Hatten, revalidatiearts, is te kennen gegeven dat appellant veel persoonlijke verzorging nodig heeft. Het namens appellant gevoerde betoog dat CIZ niet had mogen volstaan met een indicatie voor toezicht binnen de functie begeleiding treft geen doel.

4.2.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben- de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) S. Aaliouli

EK