Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
12-4577 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Volledig en zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Dat appellant in staat moet worden geacht de fysiek en mentaal weinig belastende arbeid van medewerker beddencentrale te verrichten is door de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2013

12 4577 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2012, 11/3817 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Namens appellant is

mr. Van Haren verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in mei 2008 betrokken geweest bij een auto-ongeval, dat is veroorzaakt door een spookrijder. Als gevolg hiervan is hij op 25 mei 2008 met psychische en lichamelijke klachten uitgevallen uit zijn werk als medewerker beddencentrale in een ziekenhuis. Appellant werkte destijds op basis van een nulurencontract 8 tot 15 uur per week, in het weekend. Hij deed dit naast zijn studie. Van 25 met 2008 tot 1 juni 2009 heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Op 24 september 2009 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, opnieuw ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellant opnieuw een ZW-uitkering toegekend.

1.2. Op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv heeft psychiater J. Marx appellant gezien. Deze heeft bij psychiatrisch onderzoek in engere zin geen afwijkingen gevonden. Ook heeft hij geen aanwijzingen gevonden voor concentratieproblemen. Om mogelijk subtiele concentratieproblemen te objectiveren heeft Marx in overleg met de verzekeringsarts in aanvulling op zijn eigen onderzoek een neuropsychologisch onderzoek laten verrichten door psychiater/neuropsycholoog I. Visser. Deze heeft tijdens het neuropsychologisch onderzoek testafwijkingen geobserveerd. De scores waren in zijn visie echter niet te generaliseren naar de aanwezigheid van cognitieve functiestoornissen vanwege het optreden van onderpresteren en aanwijzingen voor malingering. Marx heeft vervolgens geconcludeerd dat door de grote discrepantie tussen de door appellant ervaren klachtenniveaus enerzijds en de uitkomsten van het onderzoek anderzijds moet worden gedacht aan aggraveren, dan wel simuleren van klachten. Marx is niet gekomen tot een DSM-classificatie. In zijn visie was geen sprake van een psychiatrische stoornis in engere zin.

1.3. De verzekeringsarts heeft appellant op basis van de bevindingen van Marx weer geschikt geacht voor zijn werk. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 14 juni 2011 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 21 juni 2011 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 13 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 juni 2011 ongegrond verklaard. Dit besluit is gegrond op een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 31 augustus 2011 met een aanvulling van 12 oktober 2011 na informatie van de behandelend psychotherapeut.

De bezwaarverzekeringsarts heeft als diagnoses gesteld PTSS in remissie, chronische aspecifieke lage rugklachten en nekpijn. Zij heeft appellant in staat geacht het fysiek en mentaal niet zware werk van medewerker beddencentrale te verrichten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft desgevraagd in haar rapport van 28 februari 2011 een nadere toelichting gegeven op haar standpunt dat de PTSS van appellant in remissie is. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op eigen onderzoek en informatie van de behandelend psychotherapeut. Dat appellant nog altijd kampt met PTSS en dat de behandeling daarvan moeizaam verloopt is niet in geschil. Dat appellant niettemin in staat moet worden geacht de fysiek en mentaal weinig belastende arbeid van medewerker beddencentrale te verrichten is door de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam gemotiveerd. Appellant heeft zijn standpunt dat zijn fysieke beperkingen zijn onderschat niet met medische gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en toereikend is geweest en dat de rechtbank ten onrechte geen aanknopingspunten heeft gezien voor het benoemen van een deskundige. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport ingebracht van psychiater R.J. van den Bosch, uitgebracht in een letselschadezaak naar aanleiding van het ongeval in mei 2008, alsmede een reactie op (de conceptversie van) dit rapport van zelfstandig verzekeringsarts E.H. Groenewegen. Appellant heeft daarbij in het bijzonder gewezen op hetgeen Groenewegen in zijn rapport heeft opgemerkt over het rapport van Marx.

3.2.

Het Uwv heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat een andere visie op de gezondheidstoestand van appellant het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet per definitie onzorgvuldig of onvolledig maakt. Het Uwv heeft voorts een commentaar van een tweede bezwaarverzekeringsarts van 10 januari 2013 overgelegd. Deze heeft kennis genomen van de rapporten van Van den Bosch en Groenewegen en deze bezien in het licht van de al bekende medische stukken, waarvan hij met name noemt de rapporten van de eerste bezwaarverzekeringsarts, het rapport van Marx en de informatie van de behandelend psychotherapeut. Hij heeft in de rapporten van Van den Bosch en Groenewegen geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen dan zijn collega.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel heeft gebaseerd.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep, zoals onder 3.1 vermeld, rapporten overgelegd van

Van den Bosch en Groenewegen en daarbij met name aandacht gevraagd voor hetgeen Groenewegen heeft opgemerkt over het rapport van Marx. De Raad wijst er echter op dat het Uwv de conclusie van Marx dat bij appellant geen sprake was van een psychiatrische stoornis niet overgenomen heeft. De eerste bezwaarverzekeringsarts is op basis van haar eigen bevindingen en informatie van de behandelend therapeut al in haar rapport van 31 augustus 2011, met een aanvulling van 12 oktober 2011, uitgegaan van het bestaan van een PTSS, zij het in remissie. Zij heeft dit herhaald en nader toegelicht in haar rapporten van 15 februari 2012, 28 februari 2012 en 18 april 2012.

4.3.

Van den Bosch vermeldt in zijn rapport slechts lichte resterende cognitieve problemen, vooral subjectief en niet direct observeerbaar in een gestructureerde onderzoekssituatie. Hierin kunnen naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten worden gevonden om aan te nemen dat appellant zodanig beperkt was dat hij niet in staat was de mentaal weinig belastende arbeid van medewerker beddencentrale te verrichten. Ook overigens heeft de Raad hiervoor in het rapport van Van den Bosch geen aanknopingspunten gevonden.

4.4.

Hetgeen in 4.1. tot en met 4.4. is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) Z. Karekezi

EK