Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
12-2101 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Redelijke grond voor huisbezoek. Periode 1. De bevindingen tijdens het huisbezoek bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het bestuur dat appellante toen niet woonde op het uitkeringsadres. Periode 2. De onderzoeksbevindingen rechtvaardigen echter niet de conclusie dat appellante ook in de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 niet in de woning op het opgegeven adres woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2101 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 9 maart 2012, 11/1313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Voor appellante is verschenen mr. Kort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 18 oktober 2007 bijstand ingevolge Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 15 februari 2011 dat appellante zwart werkt in de huishouding en bij haar broer in Utrecht verblijft, heeft de Sociale Dienst Drechtsteden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is aan appellante een hercontroleformulier toegezonden, met het verzoek dit ingevuld en ondertekend te retourneren, vergezeld van de daarop genoemde stukken, waaronder alle bankafschriften van de afgelopen drie maanden. Op 12 april 2011 heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden en aansluitend aan dat gesprek is een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante aan het [adres 1]te [woonplaats]. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een Memo van 14 april 2011.

1.3.

De resultaten van het onderzoek waren voor het bestuur aanleiding om de bijstand van appellante bij besluit van 12 mei 2011 met ingang van 13 september 2010 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 13 september 2010 tot en met 31 maart 2011 tot een bedrag van € 6.556,97 van haar terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 20 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2011 gegrond verklaard in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken vanaf 1 november 2010 en dat de kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.087,69 van appellante worden teruggevorderd. Aan appellante is voorts een kostenvergoeding toegekend van € 218,50.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betreft de vergoeding van de kosten in bezwaar en aan appellante voor die kosten een vergoeding toegekend van € 437,-.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 november 2010, de datum met ingang waarvan het college de bijstand heeft ingetrokken, tot en met 12 mei 2011, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarbij is het aan het bestuur om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat gedurende de te beoordelen periode aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bestuur rust.


4.3. Het bestuur heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste informatie te verstrekken over haar woon- en leefsituatie, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het bestuur heeft van belang geacht dat uit de door appellante overgelegde bankafschriften blijkt dat zij hoofdzakelijk haar pinbetalingen in Utrecht deed en dat deze ook op achtereenvolgende dagen plaatsvonden. Pinbetalingen in Dordrecht vonden plaats op treinstations.

4.4.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat geen redelijke grond voor het huisbezoek in haar woning aanwezig was. Het huisbezoek heeft aansluitend aan het gesprek op 12 april 2011 plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek is appellante geconfronteerd met de pinbetalingen in Utrecht en geldopnames in Marokko. Appellante heeft daarover verklaard dat haar schoonzus gebruik heeft gemaakt van haar tweede pinpas en dat zij misschien één maal per drie weken in Utrecht komt. Daarnaast heeft zij verklaard niet op vakantie te zijn geweest naar Marokko. Omdat de verklaring van appellante op meerdere punten niet overeen kwam met hetgeen bleek uit de bankafschriften en appellante daarover geen duidelijkheid kon verschaffen, was er een redelijke grond voor het huisbezoek en heeft het bestuur de bevindingen van het huisbezoek dan ook terecht aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. In het verslag van het gesprek op 12 april 2011 zijn geen aanwijzingen gelegen voor de stelling van appellante dat zij de inhoud van het gesprek niet begreep. Daarbij is van belang dat appellante het gespreksverslag heeft ondertekend en dat uit dat verslag niet blijkt dat appellante heeft aangegeven dat zij het gesprek niet kon volgen.

4.5.

De bevindingen tijdens het huisbezoek bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het bestuur dat appellante toen niet woonde in de woning aan het [adres 1]te [woonplaats]. Daartoe is van belang dat de woning karig was ingericht en dat de aanwezige keukenapparatuur, zoals een koelkast en een kookplaat, niet waren aangesloten. In de keuken zijn geen verse etenswaren aangetroffen. Verder was in de huiskamer geen verlichting aanwezig. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel een lamp had die zij verplaatste en dat zij het gasfornuis nog niet had aangesloten, omdat zij dat niet kan. De koelkast had zij niet aangesloten, omdat zij die net had aangeschaft. Bovendien kwam appellante uit een blijf‑van-mijn-lijfhuis, zodat zij nog niet veel spullen had. Wat appellante heeft aangevoerd is geen reden om niet van de juistheid van de bevindingen van het huisbezoek zoals weergegeven in het rapport van 14 april 2011 uit te gaan. Appellante heeft haar stelling dat zij de koelkast nog maar net had niet onderbouwd met bijvoorbeeld een factuur waar dat uit blijkt. Aan de foto’s van haar woning die appellante heeft overgelegd komt voor de periode hier in geding geen betekenis toe, omdat, zo is ter zitting gebleken, deze foto’s zijn gemaakt na deze periode. Dit leidt tot de conclusie dat het recht van appellante op bijstand per de datum van het huisbezoek niet langer kon worden vastgesteld.

4.6.

De onderzoeksbevindingen rechtvaardigen echter niet de conclusie dat appellante ook in de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 niet in de woning op het opgegeven adres woonde. Het feit dat appellante in de maanden november en december 2010 in Utrecht pinbetalingen heeft verricht is daartoe onvoldoende, temeer daar appellante in die maanden ook in Dordrecht betalingen heeft verricht. De bevindingen tijdens het huisbezoek zeggen onvoldoende over de periode daaraan voorafgaand en rechtvaardigen daarom evenmin de conclusie dat appellante in de gehele periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 niet woonachtig was op het opgegeven adres. Nu andere concrete aanwijzingen voor de juistheid van deze conclusie ontbreken, slaagt het hoger beroep dan ook in zoverre.

4.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011, niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 en voor zover het betreft de terugvordering, die betrekking heeft op de periode van 1 november 2010 tot en met 31 maart 2011, geheel. De intrekking met ingang van 12 april 2011 blijft in stand.

4.8.

De Raad ziet voorts aanleiding om het besluit van 12 mei 2011 te herroepen ten aanzien van de intrekking over de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 en de terugvordering, en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Daartoe is van belang dat de onderzoeksgegevens van het bestuur ontoereikend zijn. Uit het dossier is niet gebleken dat buurtonderzoek iets heeft opgeleverd en ook gegevens van het energiebedrijf ontbreken. Mede gelet op het tijdsverloop is het niet aannemelijk dat het bestuur het aan het primaire besluit klevende gebrek nog kan herstellen,

4.9.

De in het verweerschrift neergelegde beroepsgrond van het bestuur over de vergoeding van de kosten in bezwaar blijft buiten bespreking, omdat het bestuur geen zelfstandig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

5.

De Raad ziet aanleiding het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- vernietigt het besluit van 20 september 2011 voor zover dat betrekking heeft op de

intrekking van de bijstand over de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 en op de

terugvordering;
- herroept het besluit van 12 mei 2011 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 september 2011;
- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 944,- ;
- bepaalt dat het bestuur aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.J.M. Crombach

HD