Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
12-119 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand voor de duur van een maand verlaagd met 100% en voor de duur van een maand met 30%. Onvoldoende meegewerkt aan uitvoering van trajectplan. Niet aannemelijk gemaakt dat het appellant als gevolg van gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal niet duidelijk was wat van hem in het kader van de voor hem geldende arbeidsverplichtingen en het door hem ondertekende trajectplan werd verwacht. Geen grondslag gevonden voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid of van het geheel ontbreken van verwijtbaarheid dan wel van dringende redenen op grond waarvan het college de in geding zijnde verlagingen had moeten matigen dan wel van oplegging van de verlagingen had moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/119 WWB, 12/120 WWB

Datum uitspraak: 26 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

22 december 2011, 11/7042 en 12/3089 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Voor appellant is

mr. Schuckink Kool verschenen. Het college heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en het hier van belang zijnde wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 1 november 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Voor hem gelden de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB (arbeidsverplichtingen). In 2008 heeft het college één keer en in 2009 heeft het college twee keer aan appellant de maatregel van verlaging van de bijstand met 30% gedurende een maand opgelegd op de grond - kort gezegd - dat hij niet dan wel onvoldoende heeft voldaan aan de arbeidsverplichtingen.

1.2.

Bij besluit van 18 maart 2010, zoals gehandhaafd bij besluit van 30 augustus 2010 (bestreden besluit I) heeft het college de bijstand van appellant voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan de uitvoering van het voor hem vastgestelde, en door hem ondertekende, trajectplan. Bij besluit van 5 oktober 2010, gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2011 (bestreden besluit II) heeft het college de bijstand van appellant voor de duur van een maand verlaagd met 30%. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn traject bij Startbaan.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspaak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft de feitelijke toedracht van de maatregelen niet betwist. Gelet op het hoger beroepschrift en het besprokene ter zitting, stelt appellant zich op het standpunt dat de gedragingen waarvoor een maatregel van verlaging van de bijstand is opgelegd hem niet of niet volledig kunnen worden verweten en/of dat er dringende redenen waren om van oplegging van de maatregelen af te zien.

4.2.

In de eerste plaats heeft appellant gewezen op het probleem dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst waardoor hij niet begrijpt wat zijn verplichtingen inhouden. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat dit voor zijn risico dient te komen en dat hij een beroep had kunnen doen op zijn sociale netwerk. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat betrokkene een eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn verplichtingen voortvloeiend uit de bijstand na te komen. Appellant kon daarover zo nodig uitleg vragen aan de sociale dienst of daarbij hulp van anderen inroepen. Appellant heeft overigens niet aannemelijk gemaakt dat het hem als gevolg van gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal niet duidelijk was wat van hem in het kader van de voor hem geldende arbeidsverplichtingen en het door hem ondertekende trajectplan werd verwacht. Het college heeft erop gewezen dat uit het bijstandsdossier niet blijkt dat appellant ooit heeft gemeld dat hij dit niet begreep. Appellant heeft dat niet tegengesproken. Bij het voorgaande betrekt de Raad dat appellant al geruime tijd bijstand ontvangt, dat hij schriftelijke aanvragen heeft gedaan om toestemming voor verblijf in het buitenland en om toekenning van langdurigheidstoeslag, dat met hem meerdere keren over zijn arbeidsverplichtingen is gesproken en dat hem eerder maatregelen tot verlaging van de bijstand zijn opgelegd. Appellant heeft in voorkomende gevallen ook hulp van anderen, onder wie zijn zus, ingeroepen. Dat, zoals appellant nog heeft aangevoerd, hij niet telkens en op elk gewenst moment een beroep kan doen op anderen, doet aan het voorgaande niet af. Dat rechtvaardigt nog niet dat appellant, zoals hier aan de orde, zonder opgaaf van (goede) redenen geen gevolg geeft aan met hem in het kader van het trajectplan gemaakte concrete afspraken.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college en de rechtbank ten onrechte zijn medische en psychische klachten niet hebben onderkend en dat naar die klachten ten onrechte geen onderzoek is gedaan. De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens fysieke of psychische redenen niet kon voldoen aan de voor hem, onder meer uit het trajectplan, voortvloeiende verplichtingen. De voorhanden zijnde objectieve medische gegevens, die met name betrekking hebben op de behandeling van knieklachten van appellant, zijn daarvoor onvoldoende. Deze gegevens hoefden het college en de rechtbank ook geen aanleiding te geven voor het doen verrichten van medisch onderzoek bij appellant. Ter zitting van de Raad is gebleken dat het namens appellant gedane verzoek aan de Raad om onderzoek te laten verrichten naar de medische en psychische gesteldheid van appellant niet wordt gehandhaafd.

4.4.

De conclusie is dat in wat appellant heeft aangevoerd geen grondslag wordt gevonden voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid of van het geheel ontbreken van verwijtbaarheid dan wel van dringende redenen op grond waarvan het college de in geding zijnde verlagingen had moeten matigen dan wel van oplegging van de verlagingen had moeten afzien.

4.5.

Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordelinwg in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.J.M. Crombach

HD