Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
12-1808 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Vermogen in de vorm van onroerende zaken in Marokko waarvan de waarde hoger is dan het toepasselijke vrij te laten vermogen. Schending inlichtingenverplichting. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het tegendeel het geval is. Zij hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaken niet tot hun vermogen behoren, maar eigendom zijn van hun neefje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1808 WWB, 12/1809 WWB

Datum uitspraak: 26 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 20 februari 2012, 12/492 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. O.M. Karam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Karam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 7 september 1999 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellanten beschikken over onroerende zaken in Marokko en de toezending van een aantal documenten in de Arabische taal heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn de toegezonden documenten vertaald en appellanten verhoord. Uit het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 26 september 2011, is onder meer naar voren gekomen dat in het kadaster in Marokko een landgoed met villa en landbouwgrond op naam van appellant geregistreerd staan.

1.3.

Bij besluit van 6 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 28 juni 2000 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten beschikken over vermogen in de vorm van onroerende zaken waarvan de waarde hoger is dan het toepasselijke vrij te laten vermogen. Appellanten hebben in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van dit vermogen, als gevolg waarvan het college ten onrechte aan appellanten bijstand heeft verleend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stellen dat de onroerende zaken in Marokko geen onderdeel uitmaken van hun vermogen. De onroerende zaken zijn gefinancierd uit de erfenis van de moeder van hun minderjarige neefje [naam neefje] en behoren tot zijn eigendom. Aangezien onroerende zaken volgens het Marokkaanse vermogensrecht niet op naam van een minderjarige gesteld kunnen worden, heeft registratie op naam van appellant plaatsgevonden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 28 juni 2000 tot en met 6 oktober 2011.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode in geding op naam van appellant onroerende zaken geregistreerd stonden waarvan de waarde de voor appellanten geldende grens van het vrij te laten vermogen ruimschoots overschreed en dat appellanten hiervan geen mededeling hebben gedaan aan het college.

4.3.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Zij hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaken niet tot hun vermogen behoren, maar eigendom zijn van [naam neefje]. Uit de door appellanten overgelegde stukken kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat de aankoop van de onroerende zaken is gefinancierd met geld afkomstig uit de erfenis van de moeder van [naam neefje]. De door appellanten overgelegde stukken en verklaringen zijn hiertoe ontoereikend. Reeds gelet hierop behoeft de stelling van appellanten, dat volgens de Marokkaanse wetgeving onroerende zaken niet op naam van een minderjarige kunnen worden gesteld, geen bespreking.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) V.C. Hartkamp

HD