Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
11-1372 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geen recht op WIA-uitkering. Geen aanleiding het oordeel van de artsen van het Uwv ten aanzien van appellantes psychische belastbaarheid voor onjuist te houden. FML juist vastgesteld. Geschikt om in gangbare arbeid te functioneren. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van appellante voor de functies van huishoudelijk medewerker gebouwen en productiemedewerker industrie voldoende inzichtelijk gemaakt. Nu de geschiktheid voor de functie huishoudelijk medewerker nog onvoldoende is toegelicht, is niet komen vast te staan of aan de schatting ten minste drie functies ten grondslag liggen. Het Uwv heeft niet onderkend dat nu appellante minder dan het aantal uren van de maatgevende arbeid belastbaar is, ter vaststelling van het mediane uurloon het uurloon overeenkomstig artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 10, derde lid van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en artikel 2, derde lid, van de Beleidsregel Uurloonschatting 2008 eerst gemaximeerd wordt op het uurloon van het maatmaninkomen en pas daarna de reductiefactor wordt toegepast. Met een maatmanomvang van 32 uur per week en een duurbelasting tot 20 uur per week bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van voornoemde bepalingen tenminste 35% of meer. Het bestreden besluit is voor wat betreft de arbeidskundige grondslag niet deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1372 WIA-T

Datum uitspraak: 22 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

21 januari 2011, 10/2277 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was tot 1 juli 2007 werkzaam als coördinator en yogadocent voor [naam Stichting]. Zij heeft zich vanuit de situatie van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet op 22 augustus 2007 ziek gemeld in verband met psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 22 januari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 19 augustus 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich primair op het standpunt gesteld dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA, omdat er geen sprake is van toegenomen beperkingen afgezet tegen de situatie bij aanvang van de verzekering. Subsidiair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante, rekening houdend met haar medische beperkingen, geschikt is voor de maatgevende arbeid en voor het verrichten van werkzaamheden in voor haar passende functies voor 20 uur per week.

2.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het onderzoek naar de belastbaarheid per 19 augustus 2009 onzorgvuldig is geweest. Gelet op de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid, neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), in twijfel te trekken. De rechtbank heeft voorts geen toereikende objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de (duur)belastbaarheid van appellante is onderschat.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat het primaire standpunt van het Uwv dat op de datum in geding geen sprake is van toegenomen beperkingen vergeleken met de datum van de aanvang van de verzekering, niet afdoende is gemotiveerd. Ook het subsidiaire standpunt van het Uwv dat appellante geschikt is voor haar maatgevende arbeid is niet afdoende gemotiveerd. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskostenveroordeling.

2.3. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, omdat de schatting gebaseerd kan worden op de voor appellante geselecteerde functies. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige toereikend gemotiveerd dat deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Appellante stelt zich op het standpunt dat haar psychische belastbaarheid is onderschat en niet juist is weergegeven in de FML. Er is verder onvoldoende rekening gehouden met haar slaapstoornis. Dit brengt mee dat zij niet in staat is de functies waarop de schatting is gebaseerd te vervullen. Verder is de berekening van het maatmaninkomen onduidelijk.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat, gelet op de in het dossier aanwezige medische gegevens waaronder de rapporten van de artsen van het Uwv, het rapport van de door het Uwv geraadpleegde psychiater R.L. Leta en de informatie van de behandelaars van appellante, geen aanleiding bestaat het oordeel van de artsen van het Uwv ten aanzien van appellantes psychische belastbaarheid op de datum in geding voor onjuist te houden.

4.1.2. De verzekeringsarts heeft dossierstudie en onderzoek verricht. Naar aanleiding van ontvangen inlichtingen van de behandelaars van appellante heeft de verzekeringsarts een expertise laten verrichten door Leta, die na zijn onderzoek heeft vastgesteld dat diagnostisch sprake is van borderline trekken, maar dat er te weinig criteria bestaan om te spreken van een volledige persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts heeft vervolgens - na overleg met de stafverzekeringsarts - als diagnose een borderline persoonlijkheidsstoornis gesteld, met emotionele instabiliteit, angsten en psychische kwetsbaarheid. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen, waaronder een urenbeperking op energetische gronden in verband met de gevolgen van de psychische klachten voor appellante, van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en gemiddeld ongeveer 20 uur per week en deze vastgelegd in de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft in bezwaar na zijn onderzoek geconcludeerd dat de verzekeringsarts de juiste beperkingen heeft aangenomen. Hij verwerpt het bezwaar van appellante dat de FML onjuist is vastgesteld, omdat het onduidelijk is waarom Leta onvoldoende criteria heeft aangetroffen voor de vaststelling van een borderline syndroom. Bij de FML is juist wel uitgegaan van de aanname dat appellante geconfronteerd wordt met de gevolgen van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De problematiek op As I is niet zodanig van ernst en omvang dat er van een stoornis gesproken kan worden, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Feitelijk sluit dit aan bij de mededelingen van behandelend psychiater J.W.L. Schreuder. Appellante is nog niet volledig hersteld van haar terugval in 2007, maar naar objectieve medische maatstaven is er geen sprake meer van een stoornis op As I. Nadrukkelijk is volgens de bezwaarverzekeringsarts met de urenbeperking ook rekening gehouden met een energetisch tekort door het slaapprobleem van appellante. De uitkomst van het slaaponderzoek is niet onverenigbaar met de vastgestelde urenbeperking. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat appellante geen nieuwe medische feiten of omstandigheden heeft ingebracht. Dat de verslechtering in 2007 van tijdelijke aard was, blijkt ook uit het overgelegde schrijven van behandelend psycholoog P.O. Kampschuur. Uit het dagelijks functioneren, zoals door Leta vastgelegd, blijkt ook geen ernstig disfunctioneren meer na de terugval. Uit de informatie van de huisarts blijkt niet anders dan van die terugslag in 2007. In hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de bezwaarverzekeringsarts dan ook geen aanleiding gezien appellante meer beperkt te achten dan reeds met de FML is vastgesteld.


4.1.3. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In hoofdzaak heeft appellante haar eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald en deze zijn op goede gronden door de rechtbank in navolging van de standpunten van de (bezwaar)verzekeringsarts overtuigend weerlegd. Anders dan appellante aanvoert, leest de Raad in het rapport van de verzekeringsarts geen twijfel aan de mogelijkheden voor appellante om in gangbare arbeid te functioneren. De Raad verwerpt ook de (herhaalde) grond dat de artsen van het Uwv de gevolgen van de borderline stoornis onvoldoende hebben onderkend en onderschrijft de reactie van de bezwaarverzekeringsarts dat door de verzekeringsarts bij appellante forse beperkingen zijn aangenomen, die volledig aansluiten bij de persoon van appellante. Voorts volgt de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 29 september 2011 dat “naar algemeen verzekeringsgeneeskundig inzicht niet aannemelijk [is] dat bij de gestelde diagnoses (persoonlijkheidsproblematiek, psychische klachten en slaapproblemen, gelukkig zonder slaapapneu) iemand in passend werk geen 20 uur actief zou kunnen zijn. In dit geval passend qua psychische en mentale belasting.” De Raad voegt hieraan toe dat hij in de vele in dit geding beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunt heeft gevonden de vaststelling van de duurbelasting van gemiddeld 4 uur per dag en 20 uren per week dan wel de overige in de FML vastgelegde beperkingen voor onjuist te houden.

4.2.1. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat de schatting op passende functies is gebaseerd op de geschiktheid voor de functies huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333), huishoudelijk medewerker gebouwen

(SBC-code 111334) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 28 juni 2010 een onderbouwing gegeven van de geschiktheid van appellante voor deze functies. Met de bezwaarverzekeringsarts heeft overleg plaatsgevonden over de interpretatie van de aangegeven beperkingen en de overschrijdingen en signaleringen in deze functies. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van appellante voor de functies van huishoudelijk medewerker gebouwen en productiemedewerker industrie voldoende inzichtelijk gemaakt. De Raad acht ook de geschiktheid voor de functie van huishoudelijk medewerker voldoende toegelicht met uitzondering van de vermelding in de functiebeschrijving: “Doet in circa 4,5 uur in ongeveer 16 patiëntenkamers het schoonmaakwerk volgens schema”. De Raad acht deze vermelding niet verenigbaar met het in de Arbeidsmogelijkhedenlijst bij deze functie vermelde arbeidspatroon van maximaal vier uur per dag. Desgevraagd ter zitting van de Raad kon de gemachtigde van het Uwv geen verklaring geven voor het feit dat het in deze functie beschreven schema het arbeidspatroon overschrijdt.

4.2.2. Nu de geschiktheid voor de functie huishoudelijk medewerker nog onvoldoende is toegelicht, is niet komen vast te staan of aan de schatting ten minste drie functies ten grondslag liggen als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.3.1. Voorts heeft het Uwv naar aanleiding van vragen van de Raad te kennen gegeven dat na aanvullend onderzoek is gebleken dat voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid de (bezwaar)arbeidsdeskundige is uitgegaan van onjuiste gegevens voor de vaststelling van de maatmanomvang en maatmaninkomen. In zijn rapport van
24 april 2013 heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante in dienst was bij [naam Stichting] voor 32 uur per week. Het maatmaninkomen heeft hij berekend op € 9,02 per uur inclusief vakantiebijslag. Op het mediane uurloon van € 10,18 heeft hij een reductiefactor toegepast nu appellante belastbaar is tot ongeveer 20 uur per week, zodat het mediane uurloon gereduceerd wordt tot € 6,42 per uur. Dit leidt volgens de bezwaararbeidsdeskundige tot een verlies aan verdiencapaciteit van 28,82%, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd minder dan 35% blijft.

4.3.2. Het maatmaninkomen is door de bezwaararbeidsdeskundige berekend op basis van het SV-loon en de Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze berekening en de vaststelling van het maatmaninkomen op € 9,02 per uur inclusief vakantiebijslag.

4.3.3. De Raad stelt vervolgens vast dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante het Uwv niet heeft onderkend dat nu appellante minder dan het aantal uren van de maatgevende arbeid belastbaar is, ter vaststelling van het mediane uurloon het uurloon overeenkomstig artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 10, derde lid van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en artikel 2, derde lid, van de Beleidsregel Uurloonschatting 2008 eerst gemaximeerd wordt op het uurloon van het maatmaninkomen en pas daarna de reductiefactor wordt toegepast. Met een maatmanomvang van 32 uur per week en een duurbelasting tot 20 uur per week bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van voornoemde bepalingen tenminste 35% of meer.

5.

Uit de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de arbeidskundige grondslag niet deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd.

6.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) H.J. Dekker

JVC