Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12-5416 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering WW-uitkering. De schatting van die het Uwv heeft gemaakt op basis van de door appellant verstrekte gegevens aanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5416 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

21 augustus 2012, 09/3708 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 november 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.B. Wits, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wits. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 september 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) op basis van een gemiddeld arbeidsurenverlies van 38 uur per week.

1.2. Het Uwv heeft naar aanleiding van een bestandsvergelijking onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. De resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 14 januari 2009, hebben ertoe geleid dat het Uwv bij besluit van 22 februari 2009 de WW-uitkering van appellant met ingang van 25 maart 2002 met 32 uur per week heeft herzien en met ingang van 3 januari 2005 heeft ingetrokken. De over de periode van 25 maart 2002 tot en met 5 maart 2006 volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 59.110,69 is van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 januari 2009.

1.3. Bij besluit van 13 november 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant gegrond verklaard, in die zin dat de WW-uitkering eerst met ingang van 8 januari 2004 wordt herzien. Dienovereenkomstig is het terug te vorderen bedrag verlaagd tot € 25.331,59.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het onderzoek heropend in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden, aangezien appellant over de periode in geding geen melding heeft gemaakt van gewerkte uren op de werkbriefjes. Aangezien de omvang van de werkzaamheden van appellant niet meer kon worden bepaald aan de hand van betrouwbare schriftelijke gegevens, mocht het Uwv deze omvang op een redelijke wijze schatten. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv op basis van een zorgvuldig onderzoek een schatting heeft gemaakt van de door appellant in de periode van

8 januari 2004 tot en met 5 maart 2006 als zelfstandige gewerkte uren. In het frauderapport van 14 januari 2009 was naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd op basis van welke gegevens tot de schatting is gekomen en hoe deze gegevens zijn meegewogen. Appellant heeft de juistheid van de schatting door het Uwv niet weerlegd met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare gegevens.

3.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat alleen de door het Uwv vastgestelde urenomvang in geschil is. Kern van het hoger beroep is dat de schatting van het Uwv te grofmazig is en dat het op basis van de in het dossier aanwezige gegevens mogelijk is om tot een schatting van het aantal gewerkte uren te komen die de werkelijkheid dichter benadert dan nu het geval is. Volgens appellant kan in het jaar 2004 op grond van de zeer beperkte inkoopkosten en het beperkte aantal transacties (zoals blijkt uit de facturen) geen sprake zijn geweest van werkzaamheden gedurende 32 uur per week. Wat betreft het jaar 2005 heeft appellant erop gewezen dat de door hem geclaimde zelfstandigenaftrek ongedaan is gemaakt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 7 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1802) het in een situatie als de onderhavige, waarin een uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar is dat het Uwv een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van betrokkene uitvalt komt voor diens rekening en risico, mits door het Uwv voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

4.2.

Het Uwv heeft de schatting van het aantal door appellant als zelfstandige gewerkte uren gebaseerd op de gegevens uit de winst- en verliesrekeningen en de belastingaangiften van appellant over de jaren 2004 en 2005. Hieruit blijkt dat de door appellant in 2004 als zakelijk geboekte kosten aanzienlijk zijn gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor. Ook is er een omzet gerealiseerd. Op basis van deze gegevens heeft het Uwv geschat dat de tijd die appellant aan zijn bedrijf heeft besteed met ingang van 8 januari 2004 is gestegen van 24 uur per week in de voorgaande jaren naar 32 uur per week. Met ingang van 1 januari 2005 zijn door appellant op bijna alle dagen zakelijke kosten opgevoerd. Ook is de omzet over het jaar 2005 veel hoger dan het jaar daarvoor. Gelet hierop heeft het Uwv aangenomen dat het aantal door appellant gewerkte uren vanaf 1 januari 2005 is gestegen van 32 uur per week naar

40

uur per week.

4.3.

Het Uwv heeft een zorgvuldig onderzoek verricht. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1, is de schatting die het Uwv heeft gemaakt op basis van de door appellant verstrekte gegevens aanvaardbaar.

4.4.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd die aanleiding geven tot een zodanige twijfel aan de uitkomst van de schatting van het Uwv dat die voor onjuist moet worden gehouden. Voor zover appellant betoogt te verwijzen naar voor de in bezwaar overgelegde urenverantwoording geldt daarvoor dat deze niet met verifieerbare gegevens is onderbouwd en daarom niet wordt gevolgd. De stelling van appellant, dat met de door zijn onderneming gerealiseerde omzet een veel kleinere urenomvang is gemoeid dan het Uwv heeft aangenomen, geeft geen aanleiding om de juistheid van de schatting van het Uwv in twijfel te trekken. Dit geldt eveneens voor de door appellant in hoger beroep overgelegde benchmarkcijfers. Dat appellant geen aanspraak heeft gemaakt op de belastingaftrek voor speur- en ontwikkelingswerk voor het jaar 2005, waarmee 500 uur gepaard zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel, evenals het feit dat de zelfstandigenaftrek over het jaar 2005 op verzoek van appellant door de Belastingdienst ongedaan is gemaakt. De toename van het aantal gewerkte uren met ingang van 1 januari 2005 van 32 naar 40 uur per week is door het Uwv met name gebaseerd op de stijging van de zakelijk geboekte kosten en het feit dat er een veel hogere omzet is gerealiseerd dan in het jaar 2004.

4.5.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant met ingang van 8 januari 2004 heeft herzien en met ingang van 3 januari 2005 heeft ingetrokken. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de over de periode van 8 januari 2004 tot en met 5 maart 2006 onverschuldigd aan appellant betaalde uitkering van hem terug te vorderen. Tegen deze terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

5.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

JvC