Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
12-6599 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn met ruim vier maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6599 BESLU, 12/6600 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 5 februari 2013 (LJN BZ0607) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad, voor zover hier van belang, bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het college de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij brief van 2 april 2013 heeft

mr. M.N. van Geenen namens verzoeker hierop gereageerd.

Het college heeft eveneens een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop mr. Van Geenen bij brief van 23 mei 2013 heeft gereageerd.

Mr. Van Geenen heeft op verzoek van de Raad een nadere reactie gegeven.

De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de feiten als weergegeven in zijn uitspraak van 5 februari 2013. Deze uitspraak betrof een procedure tussen verzoeker en het college, die betrekking had op aanvragen om bedrijfskapitaal en een uitkering voor levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. De Raad heeft in de uitspraak overwogen dat het vermoeden bestaat dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de redelijke termijn was geschonden door de Staat en het college. De Raad heeft vastgesteld dat vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van verzoeker op 12 januari 2009 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank twee jaar en ruim vier maanden waren verstreken. De behandeling van het bezwaar heeft bijna zeven maanden geduurd, de behandeling van het beroep bij de rechtbank een jaar en ruim negen maanden.

2.

Namens de Staat is - kort weergegeven - onderschreven dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de rechterlijke fase met ruim drie maanden is overschreden en dat verzoeker in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat er geen reden is om af te wijken van het in de jurisprudentie gehanteerde basisbedrag van € 500,- per half jaar van de overschrijding. De Staat is bereid dit bedrag aan verzoeker te vergoeden.

3.

Het college heeft erkend dat de behandeling van het bezwaar zes maanden en ruim drie weken heeft geduurd. Het college heeft zich echter op het standpunt gesteld dat daarvan 17 weken niet aan hem zijn toe te rekenen vanwege opschortingen van de behandeltermijn op verzoek van verzoeker.



4. Verzoeker heeft meegedeeld zich te kunnen vinden in de door de Staat aangeboden vergoeding. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het college eveneens gehouden is tot betaling van schadevergoeding. Het college heeft niet gemotiveerd waarom een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zou zijn, aldus verzoeker.



5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Vast staat dat in dit geval de redelijke termijn met ten hoogste met ruim vier maanden is overschreden. Dit betekent dat de in dit geval te vergoeden schade in verband met de overschrijding van die termijn ten hoogste € 500,- bedraagt. De door de Staat aangeboden schadevergoeding is hiermee in overeenstemming. Daarmee is verzoeker dus reeds volledig gecompenseerd voor de door hem geleden schade. Daargelaten kan dan ook worden of ook in de bestuurlijke fase sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.

Uit het voorgaande volgt dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- en dat de vordering jegens het college wordt afgewezen.

6.

De Raad ziet aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 236,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding

ten bedrage van € 500,-;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ten laste van het college af;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD